Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[verdachte],
Tenlastelegging
- 100.000 euro gestort op de (spaar)rekening van haar zoon en/of
- 43.000 euro gestort op een rekening van haar ouders en/of
- ( een deel) gebruikt voor overige uitgaven,terwijl zij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat dat geldbedrag geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
- op haar leefgeldrekening een bedrag van 145.000 euro gestort had gekregen, althans inkomstenhad ontvangen en/of
- beschikte over een vermogen in de vorm van een geldbedrag van (in totaal) ongeveer 145.000 EURO, zijnde hoger dan de vermogensgrens (als bedoeld in artikel 34 lid 3 van Pro de Participatiewet en artikel 30, derde lid, van de Wet SUWI).
Beoordeling van het bewijs
Oordeel van de rechtbank
1Bepalend voor de strafbaarheid is het effect van het handelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hebben ‘verbergen’ en ‘verhullen’ betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht te bemoeilijken op de aard, herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing van een voorwerp of ‘verbergen’ en ‘verhullen’ hebben betrekking op gedragingen die erop zijn gericht het zicht te bemoeilijken op wie de rechthebbende van het voorwerp is dan wel wie dat voorwerp voorhanden heeft.
2Die gedragingen moeten tevens geschikt zijn om dat doel te bereiken. Er is sprake van witwassen in de zin van artikel 420bis, eerste lid, onder a Sr als het verbergen of verhullen erop is gericht de criminele herkomst aan het zicht van politie en justitie te onttrekken.
3
Bewezenverklaring
- op haar leefgeldrekening een bedrag van 145.000 euro gestort had gekregen en
- beschikte over een vermogen in de vorm van een geldbedrag van in totaal 145.000 euro, zijndehoger dan de vermogensgrens (als bedoeld in artikel 34 lid 3 van Pro de Participatiewet en artikel 30, derde lid, van de Wet SUWI).
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Strafbaarheid van verdachte
Strafmotivering
Toepassing van wetsartikelen
Uitspraak
De rechtbank
een taakstraf voor de duur van 100 (honderd) uren.
een gedeelte, groot 40 (veertig) uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.