Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
14 februari 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een profvoetballer die werd verdacht van medeplegen van witwassen door het verbergen of verhullen van de herkomst van een groot geldbedrag dat gebruikt werd voor de aankoop van een horloge. Het hof Amsterdam had bewezen verklaard dat verdachte door het afleggen van leugenachtige verklaringen de herkomst van het geld had verhuld, en hem als medepleger van witwassen aangemerkt.
De Hoge Raad overweegt dat de wetsgeschiedenis van art. 420bis Sr vereist dat het verbergen of verhullen gericht en geschikt moet zijn om het zicht op de herkomst van het geld te bemoeilijken. Hoewel het hof oordeelde dat verdachte door zijn leugens de herkomst verhulde, volgt uit de bewijsvoering niet zonder meer dat deze leugen van dien aard was dat zij geschikt was om het zicht op de herkomst te verhullen.
De verdediging had aangevoerd dat er geen sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte, en dat de verklaringen van verdachte inconsistent en niet ondersteund door andere bewijsmiddelen waren. Het hof had deze argumenten onvoldoende gemotiveerd verworpen.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde behandeling van het hoger beroep op basis van het bestaande dossier.
De zaak illustreert de strenge eisen aan de motivering van bewezenverklaringen bij witwassen, met name omtrent de doelgerichtheid en geschiktheid van gedragingen om de herkomst van crimineel geld te verhullen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde behandeling.