Uitspraak
derde-partijheeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghoudster], te [plaats], vergunninghoudster,
Rechtbank Noord-Nederland
Verzoeksters hebben bij de rechtbank Noord-Nederland beroep ingesteld tegen het besluit van het college van Gedeputeerde Staten van Drenthe om hun verzoek tot intrekking van een natuurvergunning voor het FestiValderAa festival af te wijzen. De vergunning, verleend in 2017 en gewijzigd in 2019, is onherroepelijk. Verzoeksters stelden dat de vergunning ingetrokken moest worden op grond van verslechtering van het habitattype H2310, en dat de mitigerende maatregelen onvoldoende waren.
De voorzieningenrechter overwoog dat artikel 6, tweede lid, van de Habitatrichtlijn geen voortdurende herbeoordeling van vergunningen vereist en dat passende beoordelingen alleen nodig zijn indien deze nog niet hebben plaatsgevonden of vóór de referentiedatum van het Natura 2000-gebied. Uit ecologische rapporten bleek geen significante verslechtering door het festival, mede doordat het terrein slechts gedeeltelijk overlapt met het habitattype en het festival in 2020 en 2021 beperkt plaatsvond.
De rechter stelde dat verweerder binnen zijn beoordelingsruimte mocht kiezen voor mitigerende maatregelen in plaats van intrekking van de vergunning. Ook werd het belang van de rechtszekerheid en de financiële belangen van vergunninghoudster meegewogen. Verzoeksters maakten onvoldoende aannemelijk dat de vergunning de kwaliteit van het habitattype verslechterde. Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening werden daarom ongegrond verklaard en afgewezen.
Uitkomst: Het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van verslechtering van het habitattype en een belangenafweging die het belang van vergunninghoudster zwaarder laat wegen.