Standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit tot een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Zij hebben daartoe aangevoerd dat bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van schuldwitwassen. De officieren van justitie hebben gemotiveerd aangevoerd dat verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat het geld van misdrijf afkomstig kon zijn. Zo heeft [medeverdachte 1] verdachte gevraagd de geldwissel te doen, waarbij hij heeft aangegeven dat zij niet teveel moest vertellen. Verdachte ging er vanuit dat Hells Angel [medeverdachte 1] financieel ondersteunt en dat de wissel daarmee verband hield. Ook wist zij dat [medeverdachte 1] haar vroeg om het geld te wisselen omdat hij een registratie heeft en zelf niet kon wisselen. Daarnaast was verdachte als medewerkster van de ING-bank meer dan gemiddeld op de hoogte van witwassen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken.
De raadsman heeft daartoe primair aangevoerd dat de verdenking jegens verdachte het rechtstreekse gevolg is van het feit dat [medeverdachte 2] als verdachte werd gezien van betrokkenheid bij drugshandel en dat, om zijn betrokkenheid en die van de Hells Angels daarbij duidelijk te krijgen, burgerinfiltrant A-4110 werd ingezet. Diens inzet is onrechtmatig geweest. Alle informatie die jegens verdachte is ingebracht is direct of indirect het gevolg van een onrechtmatige inzet van burgerinfiltrant A-4110 en dient daarom van het bewijs te worden uitgesloten. Gelet daarop is er geen wettig en overtuigend bewijs.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is van schuldwitwassen. Verdachte ging naar de schoonheidssalon in Alkmaar, zoals blijkt uit de afspraakbevestiging en de verklaring van [medeverdachte 1]. Onderweg heeft [medeverdachte 1] aangegeven dat hij in Alkmaar ook geld wilde wisselen. [medeverdachte 1] reed en aangezien het moeilijk parkeren was heeft hij verdachte gevraagd het geld te wisselen, hetgeen zij heeft gedaan. Dit is gelet op de relatie die [medeverdachte 1] en verdachte hebben niet vreemd. Bovendien heeft [medeverdachte 1] een verklaring gegeven
voor het bezit van de Deense valuta. Er is dus een legale economische verklaring voor de herkomst van het geld. Uit haar ‘lichte’ functie bij de ING-bank kan voor haar niet een verzwaarde verantwoordelijkheid ten aanzien van mogelijk witwassen worden afgeleid.
Oordeel van de rechtbank
Vormverzuim
Het verweer van de raadsman ten aanzien van de onrechtmatige inzet van A-4110 wordt verworpen zonder onderzoek naar de feitelijke grondslag daarvan. Hetgeen is aangevoerd - ware het juist noopt niet tot één van de in artikel 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen omdat het aangevoerde hooguit kan leiden tot de enkele constatering van een vormverzuim.
1De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat A-4110 als criminele burgerinfiltrant niet tegen verdachte is ingezet, maar tegen andere verdachten in onderzoek Vidar. De resultaten van het onderzoek die door deze inzet zijn verkregen worden niet gebruikt voor het bewijs van het aan verdachte ten laste gelegde feit. Onder deze omstandigheden is dan ook niet aannemelijk geworden dat verdachte door het gestelde vormverzuim daadwerkelijk in haar verdediging is geschaad.
2Het verweer van de raadsman wordt verworpen.
Vrijspraak
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.
Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier niet vastgesteld worden dat verdachte wist of moest vermoeden dat het geld afkomstig was uit enig misdrijf. De rechtbank heeft om te beginnen op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet kunnen vaststellen dat verdachte uit hoofde van haar specifieke functie bij de ING-bank witwastypologieën eerder zou moeten herkennen. Het feit dat verdachte wist dat [medeverdachte 1] in het verleden niet kon storten in verband met een (MOT-)melding is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat verdachte ten aanzien van de Deense valuta op zijn minst een redelijk vermoeden van een criminele herkomst had. Datzelfde geldt voor de mogelijke link tussen de Deense valuta en de opmerking van verdachte over financiële ondersteuning door [medeverdachte 1]