Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
Procesverloop
Overwegingen
DRZ heeft een inkoopwaarde voor het motorrijtuig vastgesteld van € 19.488. Deze is hoger dan de door u aangegeven inkoopwaarde in de aangifte, omdat diverse in uw taxatierapport opgegeven schadeposten door DRZ niet konden worden bevestigd.
acte clairdan wel een
acte éclairé.Volgens de rechtbank heeft de Hoge Raad in betreffende arresten ook uitgelegd, dikwijls onder verwijzing naar jurisprudentie van het HvJ, waar dat oordeel op is gebaseerd. Dat betekent dat de rechtbank niet vindt dat de Hoge Raad de beslissingen om geen prejudiciële vragen te stellen, onvoldoende heeft gemotiveerd zoals bedoeld in het door eiser aangehaalde HvJ-arrest ‘Consorzio Italian Management’. Ook als het om
actes éclairésgaat, heeft de Hoge Raad toegelicht waarom hij van oordeel is dat er geen redelijke twijfel kan bestaan over de juiste uitlegging van het Unierecht. Dat is volgens het HvJ-arrest het juiste criterium. De rechtbank vindt die arresten van de Hoge Raad dan ook niet onrechtmatig.
In dit verband zij eraan herinnerd dat de regeling die in artikel 267 VWEU Pro is neergelegd een rechtstreekse samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties tot stand brengt in de vorm van een procedure die losstaat van enig initiatief van de partijen (zie in die zin arresten van 18 juli 2013, Consiglio Nazionale dei Geologi, C-136/12, EU:C:2013:489, punt 28 en aldaar aangehaalde rechtspraak, en 3 juni 2021, Bankia, C-910/19, EU:C:2021:433, punt 22). Deze partijen kunnen de nationale rechterlijke instanties niet de onafhankelijke uitoefening van de in punt 50 van het onderhavige arrest bedoelde bevoegdheid ontnemen, met name door hen te verplichten om een verzoek om een prejudiciële beslissing in te dienen (zie in die zin arrest van 22 november 1978, Mattheus, 93/78, EU:C:1978:206, punt 5).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 1.924;
- bepaalt dat de belastingrente dienovereenkomstig moet worden verminderd;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.000;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 181 aan eiser te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf vier weken na de datum waarop deze uitspraak is gedaan tot aan de dag van voldoening;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.297.
mr. M.A. Veenstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 september 2022.