Eiser diende een aanvraag in voor schadevergoeding wegens mijnbouwactiviteiten aan zijn woning in Groningen. Na een primaire toekenning van een bedrag en een bezwaarprocedure, waarbij aanvullende bedragen werden toegekend, stelde eiser beroep in tegen het besluit op bezwaar. De rechtbank beoordeelde het beroep en stelde vast dat voor schade 1 een andere autonome oorzaak was aangewezen en dat de herstelkosten voor de overige schades voldoende waren onderbouwd.
De rechtbank oordeelde dat het bewijsvermoeden van artikel 6:177a BW van toepassing is en dat verweerder dit vermoeden met voldoende zekerheid heeft weerlegd voor schade 1. Voor de herstelkosten van andere schades was de berekening van verweerder, gebaseerd op deskundigenrapporten, voldoende gemotiveerd. Wel werd erkend dat voor schade 24 ten onrechte geen vergoeding was toegekend voor het de- en hermonteren van gordijnrails.
Daarom vernietigde de rechtbank het besluit gedeeltelijk en kende een aanvullende schadevergoeding van € 38,19 toe voor schade 24, vermeerderd met wettelijke rente. Het beroep werd gegrond verklaard voor dit onderdeel, terwijl de overige rechtsgevolgen van het besluit in stand bleven. Tevens werd verweerder opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.