De rechtbank Noord-Nederland heeft op 30 september 2022 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde geboren in 1999. De zaak betreft een vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit strafbare feiten waaronder oplichting, computervredebreuk en diefstal.
De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen waaronder verklaringen van meerdere benadeelden en proces-verbalen van aangifte. Veroordeelde heeft verklaard niet over alle bedragen te beschikken, maar de rechtbank acht aannemelijk dat hij alleen over het voordeel beschikte en verwerpt het verweer tot matiging.
De totale som van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €8.142,95. Na verrekening van de waarde van verbeurd verklaarde goederen (telefoons en een computer) ter waarde van €800,00, resteert een betalingsverplichting van €7.342,95. Tevens is de duur van de gijzeling vastgesteld op maximaal 146 dagen.
De uitspraak is gedaan door de meervoudige kamer, waarbij één rechter wegens omstandigheden niet medeondertekende. De beslissing is conform artikel 36e Wetboek van Strafrecht genomen.