De rechtbank Noord-Nederland heeft in een procedure tussen de man en de vrouw het vaderschap van de man over hun minderjarige zoon vastgesteld. De rechtbank oordeelde dat partijen niet gehuwd zijn, waardoor de man niet automatisch juridisch vader was. De rechtbank bepaalde dat de ouders vanaf het moment dat de beschikking in kracht van gewijsde treedt gezamenlijk het gezag over hun zoon uitoefenen.
De vrouw was met de minderjarige naar een andere woonplaats vertrokken zonder noodzaak en zonder medewerking van de man, wat de rechtbank niet in het belang van het kind achtte. Daarom werd een voorlopige omgangsregeling vastgesteld waarbij het kind regelmatig bij de vader verblijft. De vrouw is veroordeeld om binnen twee dagen met het kind terug te verhuizen naar de woonplaats van de man of een plaats binnen tien kilometer daarvan.
Daarnaast werd de vrouw verplicht mee te werken aan de inschrijving van het kind op de school van de man en in de Basisregistratie Personen van de gemeente Groningen. Voor het geval zij niet meewerkt, is een dwangsom van €500 per dag tot een maximum van €20.000 opgelegd. De rechtbank houdt verdere beslissingen over hoofdverblijf en zorgregeling aan in afwachting van een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming.