De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een zestienjarige minderjarige vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en een verstoorde verstandhouding met de ouders. De ouders stemmen in met hulpverlening, maar kunnen door de problematiek en de relatie met de minderjarige hun gezagspositie niet adequaat invullen. De minderjarige zelf verzet zich tegen ondertoezichtstelling en verlangt beëindiging van het gezag van de ouders.
De kinderrechter constateert dat de ernstige ontwikkelingsbedreiging nog steeds actueel is en dat de ouders de benodigde zorg accepteren. Echter, gezien de complexiteit van de problematiek, de afkeer van de minderjarige tegen de ouders en zijn zelfstandige bevoegdheid op medische beslissingen, acht de rechter een ondertoezichtstelling niet effectief. De maatregel richt zich immers op toezicht op het gezag, dat in de praktijk niet wordt uitgeoefend.
De kinderrechter overweegt dat verplichte geestelijke gezondheidszorg beter aansluit bij de aard van de problematiek. De gevraagde gedwongen jeugdzorg is niet passend en niet evenredig. Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing af. De beschikking is op 8 november 2022 mondeling gegeven en op 17 november schriftelijk uitgewerkt.