ECLI:NL:RBNNE:2022:797
Rechtbank Noord-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake niet-ontvankelijkheid bezwaar rijbewijsinvordering
Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen de invordering van zijn rijbewijs door de politie, waarna het bezwaar door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR) niet-ontvankelijk werd verklaard. Verzoeker stelde dat zijn bezwaar niet prematuur was ingediend, terwijl verweerder stelde dat dit wel het geval was. De voorzieningenrechter oordeelde dat ten tijde van het indienen van het bezwaar nog geen besluit was genomen en dat verzoeker ook niet redelijkerwijs mocht aannemen dat dit wel het geval was.
De voorzieningenrechter overwoog dat de politie een kennisgeving van ontvangst had afgegeven waarin stond dat het CBR binnen vier weken een besluit zou nemen. Verzoeker had het bezwaar binnen enkele dagen na ontvangst van het rijbewijs door het CBR ingediend, terwijl de termijn van vier weken nog niet was verstreken. Er was geen reden om te denken dat het besluit al genomen was. Ook het feit dat verzoeker een juridische leek is, maakte dit oordeel niet anders.
Gezien het voorgaande was het bezwaar niet prematuur en was de niet-ontvankelijkverklaring door het CBR terecht. De voorzieningenrechter verwachtte dat het besluit stand zal houden in het bodemgeding en zag daarom geen aanleiding voor een voorlopige voorziening. Het verzoek werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat het bezwaar niet prematuur was en terecht niet-ontvankelijk is verklaard.