ECLI:NL:RBNNE:2023:1197
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen WOZ-waarde van tussenwoning per 1 januari 2020
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een tussenwoning per waardepeildatum 1 januari 2020, vastgesteld op €189.000 door de heffingsambtenaar van de gemeente Weststellingwerf. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van maximaal €170.000 voor. Na een bezwaarprocedure waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard, is beroep ingesteld bij de rechtbank.
De rechtbank overweegt dat de bewijslast bij verweerder ligt om aannemelijk te maken dat de vastgestelde waarde niet hoger is dan de werkelijke waarde in het economische verkeer. Verweerder heeft een taxatierapport overgelegd waarin de waarde per objectonderdeel is toegelicht en waarin vergelijkingsobjecten zijn gebruikt die voldoende vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak.
Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet alle gevraagde gegevens heeft verstrekt en dat een vergelijkingsobject een lagere waarde zou onderbouwen. De rechtbank oordeelt dat verweerder wel heeft voldaan aan de informatieplicht en dat de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak voldoende zijn toegelicht. De rechtbank concludeert dat verweerder aan zijn bewijslast heeft voldaan en verklaart het beroep ongegrond.
Daarnaast heeft eiser een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens de duur van de procedure ingediend. De rechtbank stelt vast dat de uitspraak binnen twee jaar na ontvangst van het bezwaarschrift is gedaan en wijst het verzoek af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding wordt afgewezen.