ECLI:NL:RBNNE:2023:1836

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 april 2023
Publicatiedatum
8 mei 2023
Zaaknummer
LEE 22 - 2693
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:41 AwbWerkloosheidswetZiektewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen intrekking WW-uitkering niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang

Eiseres maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WW-uitkering per 4 september 2017, nadat het UWV haar per 1 september 2017 een Ziektewet-uitkering had toegekend. Het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond en corrigeerde het besluit door de WW-uitkering niet te beëindigen maar in te trekken.

De rechtbank onderzocht ambtshalve of eiseres wel procesbelang had bij haar beroep. Volgens vaste jurisprudentie is procesbelang vereist om een beroep ontvankelijk te verklaren; een louter formeel belang of het streven naar proceskostenvergoeding is onvoldoende.

De rechtbank oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij door het beroep in een betere positie zou komen. De intrekking van de WW-uitkering betekent dat deze uitkering feitelijk nooit heeft bestaan, waardoor er geen belang is bij inhoudelijke beoordeling. Ook het verzoek om samenhang tussen vier zaken te erkennen voor griffierechtvrijstelling werd afgewezen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk, met als gevolg dat eiseres geen griffierecht terugkrijgt en geen proceskostenvergoeding ontvangt. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de WW-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 22/2693

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2023 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv),
(gemachtigde: mr. S.S. Wiltjer-Rienstra).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de intrekking van de uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) met ingang van 4 september 2017.
1.2.
Het Uwv heeft in het (primair) besluit van 9 maart 2022 de WW-uitkering van eiseres per 4 september 2017 beëindigd. Bij het (bestreden) besluit van 6 juli 2022 op het bezwaar van eiseres heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en - overeenkomstig het verzoek van eiseres - de WW-uitkering per 4 september 2017 ingetrokken.
1.3.
Het Uwv heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

2.1.
Het Uwv heeft bij besluit van 5 september 2017 aan eiseres vanaf 4 september 2017 een WW-uitkering toegekend. Bij besluit van 24 februari 2022 heeft het Uwv aan eiseres per 1 september 2017 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend wegens zwangerschaps- of bevallingsklachten.
2.2.
In het primair besluit heeft het Uwv de WW-uitkering van eiseres per 4 september 2017 beëindigd, omdat eiseres per 1 september 2017 een ZW-uitkering ontvangt.
2.3.
In het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primair besluit vanwege een kennelijke verschrijving gecorrigeerd in die zin dat de WW-uitkering per 4 september 2017 wordt ingetrokken in plaats van beëindigd.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of eiseres procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep.
3.1.
Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB, uitspraak van 23 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY0905, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl) is pas sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van het bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor de indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
3.2.
Eveneens volgens vaste rechtspraak van de CRvB (uitspraak van 8 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9279) kan geen belang worden ontleend aan een gewenste proceskostenveroordeling, nu van de in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht
(Awb) neergelegde bevoegdheid door de rechter ook gebruik kan worden gemaakt indien het beroep niet inhoudelijk is behandeld.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat zij met haar beroep in een betere positie kon komen te verkeren. Vaststaat dat verweerder volledig aan eiseres is tegemoetgekomen. De intrekking van de WW-uitkering betekent dat deze uitkering nimmer heeft bestaan. In het verkrijgen van een proceskosten-vergoeding is geen procesbelang gelegen. Eiseres heeft aldus geen procesbelang bij een beoordeling van dit beroep.
3.4.
Nu de rechtbank van oordeel is dat eiseres geen procesbelang heeft, komt zij niet toe aan een (inhoudelijke) beoordeling van de beroepsgronden.
3.5.
Eiseres heeft ter zitting in deze zaak nog eens nadrukkelijk verzocht om de samenhang tussen vier zaken, die tegelijk op de zitting van 13 maart 2023 zijn behandeld, te beoordelen met het oog op een mogelijke vrijstelling van het griffierecht. Het gaat hier om de zaken met zaaknummers LEE 22/2755, LEE 22/2693, LEE 22/2757 en LEE 22/2759.
3.5.1.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat de vier zaken samenhangende zaken zijn, waarvoor slechts eenmaal griffierecht verschuldigd is. Deze zaken gaan over de dwangsomvergoeding(en), de intrekking van de WW-uitkering en de ZW-uitkering. Aan deze zaken liggen aparte besluiten ten grondslag en iedere zaak vergt een aparte beoordeling. Er is geen sprake van één samenstel van feiten en omstandigheden. De anticumulatieregeling op grond van artikel 8:41, derde lid, van de Awb is daarom niet van toepassing. Er wordt dus geen vrijstelling van het betalen van griffierecht verleend. Het door eiseres in deze zaken reeds in rekening gebrachte en betaalde griffierecht behoeft daarom niet te worden terugbetaald.

Conclusie en gevolgen

4. De conclusie is dat het beroep niet-ontvankelijk is. Dat betekent dat eiseres het griffierecht niet terug krijgt en ook geen vergoeding voor haar proceskosten krijgt.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van B. de Vogel, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2023.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.