ECLI:NL:RBNNE:2023:3327

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
10 augustus 2023
Publicatiedatum
9 augustus 2023
Zaaknummer
LEE 23/3082
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding na intrekking verzoek voorlopige voorziening wegens opschorting besluit

Verzoekster, Kroon Vlees B.V., had een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit van 20 juli 2023. Dit verzoek werd ingetrokken nadat de Minister de werking van het besluit opschortte totdat op het bezwaar werd beslist.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek tot proceskostenvergoeding dat verzoekster indiende bij intrekking van haar verzoek. Verweerder erkende aanleiding tot een proceskostenveroordeling met een lichte weging van 0,5 vanwege het geringe gewicht van de zaak.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de opschorting van het besluit een volledige tegemoetkoming inhoudt, waardoor proceskostenvergoeding toewijsbaar is. Gezien het lichte gewicht van de zaak werd de proceskostenvergoeding vastgesteld op €418,50.

De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is onherroepelijk. Tevens werd het griffierecht terugbetaald aan verzoekster.

Uitkomst: De voorzieningenrechter veroordeelt de Minister tot betaling van €418,50 aan proceskosten na opschorting van het besluit en intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/3082

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2023 in de zaak tussen

Kroon Vlees B.V., uit Groningen, verzoekster

(gemachtigde: drs. D.B. Pors),
en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, NVWA, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H.T.M. van Straaten).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar verzoek tegen het besluit van verweerder van 20 juli 2023. Verzoekster had bezwaar gemaakt tegen het besluit van 20 juli 2023.
1.1.
Zij heeft het verzoek ingetrokken omdat verweerder heeft laten weten de werking van dit besluit op te schorten totdat op het bezwaar is beslist.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij aanleiding ziet tot een veroordeling in de proceskosten met een weging 'licht' (0,5 punt).
1.3.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [1]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hij legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [2]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [3]
Is verweerder aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. Verweerder is met de opschorting van de uitvoering van het besluit aan verzoekster tegemoetgekomen. Het uitgangspunt is dat het enkele feit dat het bestuursorgaan aan verzoekster tegemoetkomt reden is om het verzoek om proceskostenveroordeling toe te wijzen. [4] Verzoekster heeft dan namelijk een reden gehad om het verzoek om voorlopige voorziening in te dienen. [5] Op dit uitgangspunt kan slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden.
4.1.
Er is geen sprake van een bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Daarom wijst de voorzieningenrechter het verzoek om verweerder in de proceskosten te veroordelen toe.
Welke kosten dient verweerder te vergoeden?
5.1.
De proceskosten worden als volgt berekend. Verzoekster heeft zich laten bijstaan door haar gemachtigde. Deze gemachtigde heeft een proceshandeling verricht: het indienen van een verzoekschrift.
5.2.
Deze proceshandeling levert één punt op met in beginsel een waarde van € 837,-. Verweerder bepleit dat in dit geval uitgegaan wordt van de wegingsfactor 0,5 omdat het gewicht van de zaak licht zou zijn [6] . Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat het verzoek om voorlopige voorziening slechts ziet op het uitstellen van een voorgenomen openbaarmaking van één document en dat het verzoekschrift niet meer betreft dan een kopie van het bezwaarschrift.
5.3.
De voorzieningenrechter deelt de opvatting van verweerder, met bovenvermelde onderbouwing, dat het gewicht van deze zaak voor de gemachtigde van eiseres als licht kan worden aangemerkt.
6. Dat betekent dat de totale proceskosten die verweerder moet vergoeden € 418,50 bedragen.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een proceskostenveroordeling toe. Omdat verweerder de werking van het besluit van 19 juli 2023 heeft opgeschort totdat op het bezwaar is beslist, betaalt de griffier het griffierecht aan verzoekster terug. [7]

Beslissing

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder tot betaling van € 418,50 aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
3.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.
4.Vergelijk CRvB 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3252.
5.Vergelijk ABRvS 12 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1930.
6.Zie de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.
7.Dat staat in artikel 8:82, vierde lid, aanhef en onder a, van de Awb.