Dexia Nederland B.V. vordert betaling van een openstaande restschuld van € 922,69 van de gedaagde uit een effectenleaseovereenkomst uit 1999. De gedaagde betwist dit en stelt dat hij recht heeft op een schadevergoeding vanwege een onaanvaardbaar zware financiële last bij het aangaan van de overeenkomst.
De rechtbank past het 'hofmodel' toe, zoals ontwikkeld in eerdere jurisprudentie en bevestigd door de Hoge Raad, om te bepalen of sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last. Hierbij wordt het besteedbare netto-maandinkomen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst als uitgangspunt genomen. De kantonrechter stelt vast dat het loon van de werkgever ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bepalend is, en berekent dat het besteedbaar inkomen van de gedaagde lager was dan de bestedingsnorm.
Hieruit volgt dat de gedaagde inderdaad een vordering heeft op Dexia, bestaande uit twee derde deel van de inleg, ter hoogte van € 3.048,99. Na verrekening van de openstaande restschuld van € 922,69 die de gedaagde aan Dexia verschuldigd is, resteert een bedrag van € 2.126,30 dat Dexia aan de gedaagde moet betalen. Dexia wordt veroordeeld tot betaling van dit bedrag en in de proceskosten.