ECLI:NL:HR:2011:BP4003
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- W.A.M. van Schendel
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Onderzoeksplicht en beoordeling onaanvaardbare financiële last bij effectenleaseovereenkomst
In deze zaak ging het om een effectenleaseovereenkomst tussen eiser [AB] en Dexia Bank Nederland N.V., waarbij een restschuld was ontstaan na tussentijdse beëindiging van de overeenkomst. [AB] vorderde terugbetaling van een deel van de door hem betaalde bedragen, stellende dat Dexia tekort was geschoten in haar onderzoeksplicht en waarschuwingsplicht.
De rechtbank en het hof oordeelden dat Dexia haar onderzoeksplicht had nageleefd en dat de financiële last voor [AB] niet onaanvaardbaar zwaar was. Het hof bepaalde de financiële last aan de hand van een algemene formule, waarbij ook het inkomen en vermogen van de partner van [AB] werden betrokken, ongeacht de juridische vermogensrechtelijke verhouding.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat de rechter bij het toetsen van de financiële last uit mag gaan van een algemene formule mits deze ruimte laat voor individuele omstandigheden. Tevens is het niet vereist dat de VFN-Erecode en NVB-Gedragscode als maatstaf worden genomen. De klachten van [AB] dat Dexia onvoldoende had gewaarschuwd en dat de berekening onjuist was, werden verworpen.
De Hoge Raad benadrukte dat het bij de beoordeling gaat om de feitelijke financiële ruimte van de afnemer, waarbij het inkomen en vermogen van de partner in de gemeenschappelijke huishouding meegewogen mogen worden. De vordering van [AB] werd afgewezen en hij werd veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat Dexia haar onderzoeksplicht had nageleefd en de financiële last voor [AB] niet onaanvaardbaar was.