ECLI:NL:RBNNE:2023:4898

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
28 november 2023
Publicatiedatum
28 november 2023
Zaaknummer
18-194142-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 2 onder C Opiumwet
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontnemingsbeslissing wegens dealen van cocaïne met vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 28 november 2023 een ontnemingsbeslissing genomen tegen veroordeelde, die eerder is veroordeeld voor het aanwezig hebben van MDMA en cocaïne. De officier van justitie vorderde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zou worden vastgesteld en ontnomen.

De rechtbank baseerde de schatting van het voordeel op de verklaring van veroordeelde zelf, die toegaf een half jaar drugs te hebben verkocht om zijn verslaving te financieren en daarmee tussen de 8.000 en 9.000 euro te hebben verdiend. Dit werd ondersteund door een proces-verbaal van bevindingen. De verdediging voerde aan dat het bedrag te hoog was en dat het gezinsinkomen en de relatie van veroordeelde hierdoor zouden lijden, maar de rechtbank vond deze omstandigheden niet zwaarwegend genoeg om de vordering af te wijzen.

De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €8.000 en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen. Tevens werd de maximale duur van gijzeling vastgesteld op 160 dagen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer en uitgesproken in een openbare zitting.

Uitkomst: Veroordeelde is verplicht tot betaling van €8.000 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht Locatie Assen
parketnummer 18.194142.23

beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 28 november 2023 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde]

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , thans verblijvende: [instelling] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 12 oktober 2023 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 8.000,- ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.194142.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.
De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 14 november 2023. Veroordeelde is verschenen, bijgestaan door mr. J.B. Pieters, advocaat te Hoogeveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Hoekman.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting gepersisteerd bij zijn vordering en zich daarbij gebaseerd op de verklaring van veroordeelde die hij op 7 augustus 2023 heeft afgelegd bij de politie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de ontnemingsvordering af te wijzen, omdat een toewijzing van de vordering zal drukken op het gezinsinkomen, gevolgen heeft voor zijn relatie en het geld er niet meer is. Voorts heeft de raadsvrouw aangevoerd dat veroordeelde bij de politie sprak over zijn omzet en niet over zijn winst. De raadsvrouw gaat dan ook uit van een winst van 5.000,- over de periode van een halfjaar en niet van 8.000,-.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:
De inhoud van het vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van heden, 28 november 2023,inhoudende een bewezenverklaring onder parketnummer 18.194142.23 tegen veroordeelde gewezen;
De verklaring van veroordeelde afgelegd bij de politie op 7 augustus 2023, opgenomen op pagina 133
e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023205313 d.d. 29 september 2023;
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2023,opgenomen op pagina 81 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [naam] .

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 28 november 2023 in de zaak met
parketnummer 18.194142.23 onder meer veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, te weten het aanwezig hebben van MDMA en cocane.
Op grond van de inhoud van de wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan, te weten het verkopen (dealen) van cocane.
De rechtbank neemt de verklaring van veroordeelde als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormeld strafbaar feit wordt geschat. Bij de politie heeft veroordeelde verklaard dat hij een half jaar lang drugs heeft verkocht om zijn eigen verslaving te kunnen financieren en daarmee 8.000,- 9.000,- heeft verdiend. Dat verdachte drugs heeft verkocht blijkt voorts uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 augustus 2023.
De rechtbank gaat uit van de verklaring van veroordeelde die hij bij de politie heeft afgelegd en komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde in ieder geval 8.000,- voordeel heeft genoten. De door de raadsvrouw aangevoerde persoonlijke omstandigheden zijn niet dusdanig zwaarwegend in het bijzonder in verhouding gezien tot het relatief beperkte ontnemingsbedrag dat zij tot de conclusie dienen te leiden dat een toewijzing van de vordering disproportionele gevolgen voor veroordeelde zou hebben. De rechtbank ziet daarin dan ook geen aanleiding om de vordering af te wijzen.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op 8.000,-.
Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 8.000,- (zegge: achtduizend euro) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 160 dagen.
Deze uitspraak is gegeven door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. A.S. Venema-Dietvorst en mr. R. Tesfai, rechters, bijgestaan door mr. R.L.M. Meulman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 november 2023.