ECLI:NL:RBNNE:2023:818
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende aannemelijkheid wederrechtelijk voordeel
In deze strafzaak heeft de officier van justitie een ontnemingsvordering ingediend tegen de veroordeelde, waarbij een bedrag van €9.099,49 werd gevorderd als wederrechtelijk verkregen voordeel uit meerdere oplichtingsfeiten. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 9 februari 2023, waarbij de veroordeelde werd bijgestaan door een advocaat.
De vordering betrof een bedrag dat was opgebouwd uit meerdere posten die samenhingen met oplichtingen jegens verschillende bedrijven. De officier van justitie baseerde het gevorderde bedrag deels op bewezen verklaarde feiten en deels op feiten die niet ten laste waren gelegd. Na analyse van het dossier concludeerde de rechtbank dat er onvoldoende aanwijzingen waren dat de veroordeelde daadwerkelijk voordeel had behaald uit de betreffende feiten, met name voor de bedragen gerelateerd aan twee bedrijven.
Daarnaast bleek uit bankafschriften dat het vermeende voordeel in het vermogen van een bedrijf was gevloeid en niet direct ten gunste van de veroordeelde kwam. Gezien deze omstandigheden wees de rechtbank de ontnemingsvordering af. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Noordelijke Fraudekamer op 7 maart 2023.
Uitkomst: De rechtbank wijst de ontnemingsvordering af wegens onvoldoende aannemelijkheid van wederrechtelijk voordeel.