ECLI:NL:RBNNE:2024:1266

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
20 maart 2024
Publicatiedatum
8 april 2024
Zaaknummer
C17193733 fa_rk 24-331
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:398 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tot nihilstelling kinderalimentatie wegens ontbreken spoedeisend belang

De man verzocht de rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen waarbij de kinderalimentatie met ingang van de datum van het verzoek op nihil wordt gesteld, althans dat hij niet gehouden is alimentatie te betalen. Hij stelde dat de minderjarige eigen inkomsten heeft en niet langer behoeftig is, en vreesde dat hij teveel betaalde alimentatie niet terug zou krijgen als de bodemprocedure werd afgewacht.

De vrouw voerde verweer en stelde dat de minderjarige financieel volledig afhankelijk is van haar, geen werk verricht en dat er sprake is van ernstige problematiek. Zij benadrukte dat de man voldoende draagkracht heeft en dat de situatie geen wijziging van de alimentatiegrondslag rechtvaardigt.

De rechtbank oordeelde dat het verzoek voldoende samenhangt met de hoofdzaak, maar dat de man onvoldoende spoedeisend belang heeft aangetoond om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank overwoog dat de bodemprocedure kan afgewacht worden en dat inkomsten van een minderjarige de behoefte niet verlagen. Daarom wees de rechtbank het verzoek af en zal de zaak inhoudelijk in de bodemprocedure worden behandeld.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige nihilstelling van de kinderalimentatie wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Leeuwarden
zaak-/rekestnummer: C/17/193733 / FA RK 24-331
beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 20 maart 2024 in het incident
inzake
[naam 1],
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de man,
advocaat mr. C.M. Lattmann-van der Heijde, kantoorhoudende te Amsterdam,
tegen
[naam 2],
wonende te [woonplaats] ,
hierna ook te noemen de vrouw,
advocaat mr. P. van Bommel, kantoorhoudende te Franeker.

1.Procesverloop

1.1.
Door de man is een verzoekschrift met bijlagen in de hoofdzaak, tevens houdende een verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (hierna: het incident) ingediend, ingekomen op de griffie op 20 februari 2024.
1.2.
De rechtbank heeft een verweerschrift met bijlagen namens de vrouw ontvangen, ingekomen op de griffie op 5 maart 2024.
1.3.
De mondelinge behandeling met betrekking tot de voorlopige voorzieningen heeft met gesloten deuren plaatsgevonden op 8 maart 2024. Verschenen en gehoord zijn partijen bijgestaan door hun advocaten.
1.4.
De advocaat van de man heeft tijdens de mondelinge behandeling het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie. Deze pleitnotitie maakt onderdeel uit van het procesdossier.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
2.2.
Zij zijn ouders van de nog minderjarige [naam kind] , geboren op [geboortedag] 2006 te Heerenveen.
2.3.
De man heeft [de minderjarige] erkend. Bij beschikking van 3 december 2021 van deze rechtbank is bepaald dat de vrouw alleen is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.4.
Bij beschikking van 28 april 2011 van het Gerechtshof Leeuwarden is bepaald dat de man vanaf 1 mei 2012 een bedrag van € 475,- per maand aan kinderalimentatie moet betalen.
2.5.
[de minderjarige] heeft van 18 november 2011 tot 19 september 2022 onder toezicht gestaan van Regiecentrum Bescherming en Veiligheid.
2.6.
[de minderjarige] heeft van 23 februari 2012 tot en met januari 2019 bij de man gewoond. Vervolgens is [de minderjarige] uit huis geplaatst. Vanaf 29 januari 2021 verblijft [de minderjarige] bij de vrouw.
2.7.
De vrouw heeft aanspraak gemaakt op het bedrag vermeld in de beschikking van 28 april 2011 van het Gerechtshof Leeuwarden. De man betaalt op dit moment een bedrag van
€ 600,27 per maand (geïndexeerd naar 2023) ten behoeve van [de minderjarige] . Geïndexeerd naar 2024 bedraagt de kinderalimentatie € 629,50.

3.Het verzoek

3.1.
De man heeft in het incident, zakelijk weergegeven, de rechtbank verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat met ingang van datum indiening van onderhavig verzoekschrift de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van [de minderjarige] voorlopig op nihil wordt gesteld, althans dat de man niet gehouden is enig bedrag ten behoeve van [de minderjarige] aan de vrouw te voldoen.
3.2.
Ter zitting heeft de man zijn verzoek (voorwaardelijk) aangevuld. Indien de rechtbank zal beslissen dat de man gehouden blijft de volledige dan wel een deel van de bijdrage te betalen, verzoekt de man de rechtbank om te bepalen dat de man op grond van artikel 1:398 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek wordt toegestaan [de minderjarige] bij zich in huis te nemen en aldaar het nodige te voorzien, in plaats van een bedrag aan [de minderjarige] dan wel de vrouw te betalen.
3.3.
De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht om de verzoeken van de man af te wijzen.

4.Standpunten van partijen

4.1.
De man stelt dat [de minderjarige] eigen inkomsten heeft en niet langer behoeftig is. Vanwege de gewijzigde omstandigheden voldoet de beschikking van het Hof niet langer aan de wettelijke maatstaven, aldus de man. De man vindt het verontrustend als zou blijken dat [de minderjarige] geen opleiding volgt en ook geen werk heeft. De man acht het in het belang van [de minderjarige] dat hij zijn handen uit de mouwen steekt en dagbesteding heeft. [de minderjarige] kan in 2023 op basis van het geldende minimumloon minstens € 788,- bruto per maand verdienen en dit bedrag moet volgens de man in mindering worden gebracht op de door de man te betalen alimentatie. De man stelt dat er sprake is van een spoedeisend belang. Wanneer later blijkt dat de man teveel kinderalimentatie heeft betaald, zal hij dit niet van de vrouw terug krijgen. Zo heeft de man ook nog een vordering op de vrouw, voortkomende uit het verbreken van hun relatie, die niet geïnd kan worden bij de vrouw.
4.2.
De vrouw heeft aangevoerd dat [de minderjarige] niet meer naar school gaat en ook geen betaalde arbeid verricht. [de minderjarige] is financieel volledig afhankelijk van de vrouw. Volgens de vrouw laat het welzijn van [de minderjarige] niet toe dat van hem kan worden verwacht dat hij inkomsten uit arbeid kan genieten. Er is sprake van heftige (ouder- en kind)problematiek. De situatie tussen [de minderjarige] en zijn vader heeft zijn weerslag op [de minderjarige] en de procedure draagt hier niet op positieve wijze aan bij, aldus de vrouw. De vrouw is druk bezig om, in samenwerking met instanties, het leven van [de minderjarige] weer op de rit te krijgen. In dat kader zal met het Doorstroompunt ZWF op 13 maart 2024 een kennismakingsgesprek plaatsvinden. Volgens de vrouw is er geen sprake van gewijzigde omstandigheden, omdat [de minderjarige] (nog steeds) minderjarig is, financieel afhankelijk is van de vrouw en dan ook behoeftig is. Verder stelt de vrouw dat de man financieel in staat is om het vastgestelde bedrag aan kinderalimentatie te voldoen. Er is geen juridische grondslag aanwezig om de bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] te beëindigen, aldus de vrouw.

5.Beoordeling

5.1.
Op grond van het eerste lid van artikel 223 Rv Pro kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. Artikel 223 Rv Pro ziet op de dagvaardingsprocedure, maar de Hoge Raad heeft op 5 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3533) geoordeeld dat de wet en de aard van de verzoekschriftprocedure zich niet verzetten tegen overeenkomstige toepassing van dit artikel op verzoekschriftprocedures. De voorziening ex artikel 223 Rv Pro betreft een voorlopige voorziening en een voorlopig oordeel. De verzoeker moet een (spoedeisend) belang hebben bij de voorziening, in die zin dat van hem of haar niet kan worden gevergd dat de afloop van de bodemzaak wordt afgewacht.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de verzochte voorlopige voorziening voldoende samenhangt met de hoofdzaak, omdat het allebei over de (kinder)alimentatie gaat.
5.3.
De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of de man een zodanig spoedeisend belang heeft bij een voorlopige voorziening dat hij bodemprocedure niet kan afwachten. De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd waarom er met spoed een ordemaatregel moet worden getroffen en overweegt daartoe als volgt.
5.4.
De man heeft zich op het standpunt gesteld dat, indien in de bodemzaak wordt bepaald dat de kinderalimentatie met ingang van de datum van het verzoekschrift op nihil wordt bepaald, hij de teveel betaalde alimentatie niet terug zal ontvangen van de vrouw. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende reden waarom de bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Zoals op de zitting ook is besproken, kan de rechter in de bodemprocedure alsnog beslissen dat met ingang van de datum van het verzoekschrift geen alimentatie meer betaald hoeft te worden. Dat de vrouw dan mogelijk het teveel betaalde niet terug zal betalen, is geen dringende financiële situatie waarvoor de procedure op grond van artikel 223 Rv Pro is bedoeld.
Niet ter discussie staat verder dat de vader voldoende draagkracht heeft om de kinderalimentatie te betalen. Er is ook gelet hierop onvoldoende spoedeisend belang om nu een ordemaatregel te treffen. Daarbij komt nog dat [de minderjarige] niet werkt en bovendien inkomsten van een minderjarige de behoefte tijdens de minderjarigheid niet verlagen (zie Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:7009, rechtsoverweging 5.10).
5.5.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man niet voldoet aan alle vereisten van artikel 223 Rv Pro. De rechtbank wijst de verzoeken daarom af. De zaak zal verder inhoudelijk worden behandeld in de bodemprocedure.

6.Beslissing

De rechtbank:
in het incident
6.1.
wijst de verzoeken van de man af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2024.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak.
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet door tussenkomst van een advocaat worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
fn: 902