ECLI:NL:RBNNE:2024:1562

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
26 april 2024
Publicatiedatum
26 april 2024
Zaaknummer
C/17/194041
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 lid 1 BWArt. 8 EVRMArt. 798 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige met betrokkenheid vader zonder gezag

De rechtbank Noord-Nederland heeft op 26 april 2024 een beschikking gegeven over de verlenging van de ondertoezichtstelling van een minderjarige, geboren in 2013, die bij zijn moeder woont. De moeder heeft het ouderlijk gezag. De verlenging werd aangevraagd door het Regiecentrum Bescherming en Veiligheid (GI) vanwege zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige en het ontbreken van contact met de vader.

De vader, die geen gezag heeft, werd door de rechtbank erkend als belanghebbende in de procedure op grond van artikel 8 EVRM Pro en jurisprudentie van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit omdat het verzoek tot verlenging direct raakt aan zijn recht op gezinsleven en omgang met de minderjarige. De rechtbank stelde dat de vader betrokken moet worden bij de besluitvorming over de ondertoezichtstelling.

De kinderrechter vond dat de wettelijke criteria uit artikel 1:255 BW Pro waren vervuld, mede vanwege de persoonlijke problematiek van de moeder, het ontbreken van statusvoorlichting over de vader aan de minderjarige, en zorgen over diens cognitieve ontwikkeling. De verlenging van zes maanden is passend om het diagnostisch onderzoek af te ronden en een plan voor statusvoorlichting op te stellen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld. De zaak benadrukt het belang van betrokkenheid van een vader zonder gezag bij beslissingen die het gezinsleven raken.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd met zes maanden en de vader zonder gezag wordt erkend als belanghebbende.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Leeuwarden
Zaaknummer: C/17/194041 / JE RK 24-213
Datum uitspraak: 26 april 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
Regiecentrum Bescherming en Veiligheidte Leeuwarden,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedag] 2013 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2024;
  • een brief van de vrouw, ontvangen op 28 maart 2024;
- het bericht van de GI van 8 april 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 16 april 2024 tegelijk met de behandeling van de zaak (met nummer C/17/174283 / FA RK 20-925) over de omgangsregeling. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de moeder;
- een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad);
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
In de zaak met nummer C/17/174283 / FA RK 20-925 zal afzonderlijk worden beslist.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 mei 2023 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 23 mei 2024.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

4.De vader als belanghebbende

4.1.
De vrouw stelt zich op het standpunt dat vader geen belanghebbende is in deze zaak, omdat hij geen family leeft heeft (gehad) met [de minderjarige] , noch is hij belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat vader als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro moet worden aangemerkt, omdat de zaak rechtstreeks betrekking heeft op zijn rechten of verplichtingen.
4.3.
De rechtbank baseert haar oordeel op de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (verder: het Hof) van 5 oktober 2021 (ECLI:NL:GHARL:2021:9351). In die uitspraak heeft het Hof kort gezegd (onder verwijzing naar jurisprudentie van de Hoge Raad) overwogen dat een persoon die aanspraak kan maken op bescherming van zijn familie- en gezinsleven dan wel zijn privéleven, een en ander zoals voorzien in artikel 8 lid 1 EVRM Pro (Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden), tevens aanspraak erop kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in het besluitvormingsproces dat kan leiden tot een inmenging in dat familie- en gezinsleven respectievelijk dat privéleven. Die aanspraak ziet mede op de gerechtelijke procedure. De door artikel 8 EVRM Pro vereiste mate waarin en wijze waarop de belanghebbende bij het besluitvormingsproces wordt betrokken, is afhankelijk van de bijzondere omstandigheden van het geval en de aard en de mate van ingrijpendheid van de te nemen maatregelen.
4.4.
De rechtbank overweegt, in navolging van voornoemde uitspraak van het Hof, dat de GI zijn verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] in hoofdzaak verzocht omdat [de minderjarige] niet weet wie zijn vader is en ook feitelijk opgroeit zonder de vader. Een van de voornaamste doelen van de ondertoezichtstelling is dat [de minderjarige] statusvoorlichting krijgt en dat omgang tussen hem en de vader wordt opgestart. Daarmee is de ondertoezichtstelling in feite gericht op effectuering van het recht van de vader op gezinsleven met [de minderjarige] in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Hierbij weegt de rechtbank mee dat de vader tot nu toe niet op een andere wijze succesvol aanspraak op zijn recht op omgang met [de minderjarige] heeft kunnen maken. De ondertoezichtstelling evenals de verzochte verlenging daarvan raakt daarmee naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks (de bescherming van) het recht van de vader op omgang met [de minderjarige] , zodat hij er aanspraak op kan maken dat hij in voldoende mate betrokken wordt in de besluitvorming over de ondertoezichtstelling. Die voldoende mate van betrokkenheid kan naar het oordeel van de rechtbank alleen worden bereikt door de vader in deze procedure aan te merken als belanghebbende.

5.De beoordeling

5.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.2.
Gelet op de aanwezige zorgen acht de kinderrechter het van belang dat de gezinsvoogd betrokken blijft om de belangen van [de minderjarige] in het oog te blijven houden, (noodzakelijk geachte) hulpverlening te coördineren en om, indien nodig, met gezag in te kunnen grijpen. De kinderrechter is - met de GI - van oordeel dat de statusvoorlichting er hoe dan ook moet komen in het belang van [de minderjarige] en zijn verdere persoonlijke ontwikkeling. De GI heeft op de zitting aangegeven dat het diagnostisch onderzoek met enige vertraging is opgestart en dat nog ongeveer anderhalve maand nodig is voordat het is afgerond. Vervolgens zal met in achtneming van de uitkomsten van het onderzoek een plan worden gemaakt hoe de statusvoorlichting aan [de minderjarige] het beste kan worden gegeven. De GI schat in dat binnen zes maanden de nodige stappen kunnen worden gezet, reden waarom een verlenging van de ondertoezichtstelling van zes maanden wordt verzocht.
5.3.
Op dit moment zijn de bedreigingen in de ontwikkeling van [de minderjarige] waaraan in ieder geval gewerkt moet worden:
- [de minderjarige] weet niet wie zijn vader is en de moeder weigert [de minderjarige] statusvoorlichting te geven;
- er is bij de moeder geen ruimte voor contactherstel met de vader en [de minderjarige] heeft via de moeder een negatief beeld van zijn vader;
- er is sprake van persoonlijke (trauma) problematiek bij de moeder;
- er zijn zorgen over de cognitieve ontwikkeling van [de minderjarige] (concentratieproblemen en schoolprestaties van [de minderjarige] );
5.4.
Uit voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
5.5.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengen voor de duur van zes maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW). Gelet op de concrete ontwikkelingsbedreigingen acht de kinderrechter deze termijn passend.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 23 november 2024;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2024
door mr. G.J. Baken, kinderrechter, in aanwezigheid van J. Dijkstra als griffier.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden.