Eiser, eigenaar van een woning uit 1965, diende een schademelding in wegens mijnbouwschade. Verweerder kende een schadevergoeding toe van €18.325,38, maar verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond in twee besluiten op bezwaar. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten en leverde een contra-expertise in.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen het besluit van 10 maart 2022 niet-ontvankelijk is, omdat dit besluit geen zelfstandige betekenis meer heeft na het gewijzigde besluit van 1 februari 2023. Het beroep tegen het laatste besluit is inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard. De rechtbank volgt de deskundigen van verweerder die de schades toeschrijven aan autonome oorzaken zoals doorbuiging van de vloer, belasting van draagconstructies en te strak gelegde lateien.
De contra-expertise van eiser is niet betrokken in het bestreden besluit, wat een motiveringsgebrek oplevert, maar dit wordt gepasseerd omdat eiser daardoor niet is benadeeld. De rechtbank ziet geen voldoende aanleiding om te twijfelen aan de adviezen van de deskundigen van verweerder.
De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten van €3.474,25, waaronder griffierecht en kosten van de contra-expertise, en wijst partijen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.