ECLI:NL:RVS:2023:1019
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak over bevoegdheid en schadevergoeding mijnbouwschade woonboerderij
Appellant is eigenaar van een woonboerderij die schade heeft gemeld als gevolg van mijnbouwactiviteiten. Het Instituut Mijnbouwschade kende een schadevergoeding toe, maar weigerde vergoeding voor schades die al eerder door NAM of Centrum Veilig Wonen (CVW) waren beoordeeld. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het Instituut wel bevoegd was en dat het bewijsvermoeden ten onrechte werd weerlegd voor schade aan de vensterbank.
De Afdeling bestuursrechtspraak overweegt dat het Instituut op grond van de Tijdelijke wet Groningen niet bevoegd is om schades te behandelen die vóór 31 maart 2017 bij NAM of CVW zijn gemeld. Appellant had de schades al in 2015 gemeld, waardoor het Instituut terecht niet bevoegd is. Ook het beroep op de hardheidsclausule faalt omdat appellant geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd.
Ten aanzien van de vensterbankschade oordeelt de Afdeling dat het Instituut voldoende heeft onderbouwd dat deze schade uitsluitend een autonome oorzaak heeft, namelijk zetting van de gebintconstructie en belasting op de gevels. Het bewijsvermoeden is daarmee terecht weerlegd. Het geactualiseerde beoordelingskader en de SBR Trillingsrichtlijn zijn op juiste wijze toegepast. Het betoog van appellant over cumulatieve trillingen en triggerwerking wordt verworpen.
Verder is onvoldoende onderbouwd dat de herstelmethoden en kosten niet toereikend zijn. Het Instituut mag het uniforme calculatiemodel hanteren voor schadebegroting. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond; Instituut Mijnbouwschade niet bevoegd voor eerder gemelde schades en bewijsvermoeden terecht weerlegd voor vensterbankschade.