ECLI:NL:RBNNE:2024:2302

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
14 juni 2024
Publicatiedatum
17 juni 2024
Zaaknummer
LEE 23/3187
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Wet schadefonds geweldsmisdrijven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag uitkering Schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende objectieve aanwijzingen

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven, welke door verweerder is afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf.

De rechtbank heeft het beroep van eiser op 7 mei 2024 behandeld. Eiser stelde dat zijn aangifte en die van zijn broer voldoende waren om aannemelijk te maken dat sprake was van een opzettelijk geweldsmisdrijf en dat hij psychische schade heeft door een constant gevoel van onveiligheid.

Verweerder hanteert het beleid uit de Beleidsbundel Schadefonds geweldsmisdrijven 2022, waarin is bepaald dat een geweldsmisdrijf niet bewezen hoeft te worden, maar wel aannemelijk gemaakt. Dit vereist objectieve aanwijzingen die de verklaring van het slachtoffer ondersteunen en een duidelijk en logisch beeld schetsen van de feitelijke geweldshandeling, toedracht, aanleiding en omstandigheden.

De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat uit de beschikbare informatie niet duidelijk valt af te leiden wat de toedracht, aanleiding en omstandigheden van het geweldsmisdrijf waren. De verklaringen van eiser en zijn broer bieden onvoldoende objectieve aanwijzingen. Daarom blijft het bestreden besluit in stand en wordt het beroep ongegrond verklaard.

Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman op 14 juni 2024.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een uitkering uit het Schadefonds geweldsmisdrijven blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 23/3187

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juni 2024 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.Tj. van Dalen),
en

De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, verweerder

(gemachtigde: mr. H.K.M. Timmermans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering van het Schadefonds geweldsmisdrijven.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het besluit van 27 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 24 juli 2023 op het bezwaar van eiser is verweerder bij dat besluit gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2024 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De voor de beoordeling van het beroep belangrijke wet- en regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Is aannemelijk dat sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat met zijn aangifte en de aangifte van zijn broer aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Eiser stelt dat hij psychische schade heeft omdat hij constant met een gevoel van onveiligheid rondloopt.
5.1.
Bij de beoordeling van een aanvraag om een uitkering hanteert verweerder het beleid dat is neergelegd in de Beleidsbundel Schadefonds geweldsmisdrijven 2022. Volgens paragraaf 1.1.2 van de Beleidsbundel hoeft een geweldsmisdrijf niet bewezen te worden, maar moet dit aannemelijk worden gemaakt.
5.2.
De enkele verklaring van het slachtoffer over wat er is gebeurd is niet voldoende. Objectieve aanwijzingen moeten de verklaring van het slachtoffer ondersteunen. Uit de onderbouwing moet een duidelijk en logisch beeld volgen van wat er is gebeurd en wat de aanleiding ervoor was. In de eerste plaats is daarbij de feitelijke geweldshandeling van belang. In de tweede plaats moeten de toedracht van het geweldsmisdrijf duidelijk zijn, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer zelf. Deze bronnen moeten betrouwbaar en onpartijdig zijn en vanuit eigen waarneming verklaren.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder uit de beschikbare informatie heeft mogen concluderen dat hieruit niet duidelijk valt af te leiden wat de toedracht, aanleiding en omstandigheden waren waaronder het geweldsmisdrijf plaatsvond. De enige verklaring over de aanleiding van de mishandeling is gelegen in eisers eigen verklaring en hij verklaart dat hij niet weet waarom hij is mishandeld. Ook de aangifte van de broer van eiser geeft geen duidelijkheid over de aanleiding, toedracht en omstandigheden van het geweldsmisdrijf.
5.4.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende met objectieve aanwijzingen aannemelijk heeft gemaakt dat hij slachtoffer is geworden van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser niet in aanmerking komt voor een uitkering van het Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2024.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg)
Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a
Uitkering kan worden gedaan aan een ieder die ten gevolge van een in Nederland opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel heeft bekomen.
Beleidsbundel Schadefonds geweldsmisdrijven (versie van 1 november 2022)
1.1.2 Aannemelijkheid van het geweldsmisdrijf
Een geweldsmisdrijf hoeft niet bewezen te worden (zoals bij de strafrechter), maar moet aannemelijk worden gemaakt. Aannemelijkheid is een juridisch begrip en houdt in dat het niet onomstotelijk hoeft vast te staan dat het is gegaan zoals in de aanvraag is beschreven, maar dat het op basis van de gegeven onderbouwing geloofwaardig is dat het zo gegaan is. Uit die onderbouwing moet een duidelijk en logisch beeld volgen van wat er is gebeurd en wat de aanleiding ervoor was. In de eerste plaats is daarbij de feitelijke geweldshandeling van belang. Dit is de handeling waardoor het slachtoffer letsel opliep: bijvoorbeeld het uitdelen van een klap, het schieten met een vuurwapen of het steken met een mes. In de tweede plaats moeten de toedracht van het geweldsmisdrijf duidelijk zijn, de aanleiding ervan en de omstandigheden waaronder het plaatsvond. Het Schadefonds kan bij de beoordeling informatie uit meerdere bronnen betrekken. Het uitgangspunt is dat het slachtoffer verantwoordelijk is voor het onderbouwen van de aanvraag met voldoende objectieve aanwijzingen. Objectieve aanwijzingen zijn aanwijzingen afkomstig uit een andere bron dan het slachtoffer zelf. Deze bronnen moeten betrouwbaar en onpartijdig zijn en vanuit eigen waarneming verklaren.