ECLI:NL:RBNNE:2024:2422
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de vermogensinkomensbijtelling bij vaststelling eigen bijdrage Wlz-zorg
Eiseres maakte bezwaar tegen de vastgestelde eigen bijdrage voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), omdat zij meende dat de 4% vermogensinkomensbijtelling hoger is dan het werkelijk rendement en in strijd met het eigendomsrecht en het verbod op discriminatie volgens artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De rechtbank overweegt dat het arrest van de Hoge Raad van 24 december 2021 betrekking heeft op de inkomstenbelasting en niet op de eigen bijdrage voor zorg, waarbij een deel van het vermogen wordt betrokken. De vermogensinkomensbijtelling is een gerechtvaardigde inbreuk op het eigendomsrecht, mede omdat de eigen bijdrage ten goede komt aan de bekostiging van de zorg.
Verder oordeelt de rechtbank dat het recht op een 'decent profit' niet van toepassing is op de eigen bijdrage, omdat het gaat om een prijs voor een dienst die aan eiseres zelf wordt verleend. De rechtbank wijst ook het verweer af dat er geen tegenbewijsregeling zou zijn, aangezien bezwaar tegen de vaststelling van het vermogen bij de Belastingdienst mogelijk is.
De rechtbank concludeert dat verweerder op juiste gronden 4% van het vermogen heeft betrokken bij de berekening van de eigen bijdrage en verklaart het beroep ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de 4% vermogensinkomensbijtelling bij de berekening van de eigen bijdrage Wlz.