ECLI:NL:CRVB:2015:4761
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging eigen bijdrage AWBZ-zorg met verblijf ondanks beroep op fundamentele rechten
Appellante, die verblijft in een AWBZ-instelling, werd geconfronteerd met een eigen bijdrage voor zorg met verblijf die mede gebaseerd is op 8% van haar vermogen. Zij stelde dat deze regeling haar autonomie schaadt en in strijd is met diverse fundamentele rechten, waaronder het EVRM en het VN-Gehandicaptenverdrag.
De Raad overwoog dat de vermogensinkomensbijtelling (VIB) wettelijk is verankerd en dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft bij het bepalen van de eigen bijdrage, mede om de AWBZ betaalbaar te houden. De Raad concludeerde dat de bijdrage proportioneel is en niet leidt tot een individuele, buitensporige last. Ook werd geoordeeld dat het beroep op het VN-Gehandicaptenverdrag niet slaagt omdat Nederland dit verdrag nog niet heeft geratificeerd.
Verder werd het bezwaar dat de overheid niet vooraf overlegde met organisaties van mensen met een beperking verworpen, evenals de stelling dat het besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel van de Awb. Het beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de eigen bijdrage voor AWBZ-zorg met verblijf wordt bevestigd.