ECLI:NL:RBNNE:2024:2633

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
3 juli 2024
Publicatiedatum
15 juli 2024
Zaaknummer
LEE 24/1785
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:83 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet-betaling griffierecht

Verzoekster heeft op 13 april 2024 een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de Rechtbank Noord-Nederland. Voor het indienen van dit verzoek is griffierecht van €51,- vereist. De griffier heeft verzoekster bij aangetekende brief van 17 april 2024 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te betalen, met de waarschuwing dat bij niet-betaling het verzoek niet-ontvankelijk verklaard zou worden.

De brief is op 19 april 2024 bezorgd bij een PostNL-punt maar niet afgehaald, waardoor deze op 10 mei 2024 retour kwam bij de rechtbank. Vervolgens is de brief op 14 mei 2024 per e-mail aan verzoekster verzonden. Desondanks heeft verzoekster het griffierecht niet betaald en geen reden gegeven voor dit verzuim.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verzoekster voldoende gelegenheid heeft gehad om het griffierecht te voldoen, maar dit niet heeft gedaan en geen verontschuldiging heeft aangevoerd. Daarom is het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk en wordt het niet inhoudelijk beoordeeld. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op 3 juli 2024 door voorzieningenrechter L.E.A. Jonkers-Vellinga. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/1785

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 juli 2024 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster van 13 april 2024. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Iemand die een verzoek om voorlopige voorziening indient, moet griffierecht betalen. [1] In een zaak als deze is het griffierecht € 51,-. De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Dat betekent in dit verband dat het hele bedrag binnen die termijn is bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dat het binnen die termijn is betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
3. De griffier heeft bij aangetekend verzonden brief van 17 april 2024 verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Verzoekster is in deze brief gewezen op het risico van niet-ontvankelijk verklaring indien zij het griffierecht niet op tijd betaald. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de aangetekend verzonden brief op 19 april 2024 is bezorgd op een PostNL-punt. Deze brief is vervolgens op 10 mei 2024 retour binnen gekomen bij de rechtbank, met als reden dat het poststuk niet bij een PostNL-punt is afgehaald. Het niet afhalen van een poststuk komt voor rekening en risico van de verzoekster. Op 14 mei 2024 is de aangetekende brief van 17 april 2024 per e-mail naar verzoekster verzonden. Zij heeft het griffierecht niet alsnog betaald. Verzoekster is hiermee voldoende in de gelegenheid gesteld om het griffierecht te betalen.
4. Verzoekster heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2024.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit is geregeld in artikel 8:82 van Pro de Awb in samenhang met artikel 8:41 van Pro de Awb.