Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 juli 2024 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de Staatssecretaris.
Inleiding
Feiten
- [adres 1] ;
- [adres 2] ;
- [adres 3] ;
- [adres 4] ;
- [adres 5] ;
- [adres 6] ;
- [adres 7] ;
- [adres 8] .
Wij verzorgen sedert het belastingjaar 2011 de belastingaangiften van belanghebbende, die tot en met eind 2016 steeds in het buitenland woonde. Hoewel wij consequent - sinds belastingjaar 2011 - inkomstenbelastingaangiften namens belanghebbende hebben ingediend, is er pas voor het eerst voor het belastingjaar 2017 daadwerkelijk een aangifte inkomstenbelasting uitgereikt.
Beoordeling door de rechtbank
- Wat had de inspecteur precies moeten bekijken (wat is het
- Wanneer had de inspecteur dat dan moeten doen (wat is het
regelen) van een aanslag altijd verplicht is om het dossier van de betreffende belastingplichtige te bekijken, voor zover dat dossier gaat over dezelfde belastingsoort (in jargon: hetzelfde belasting
middel). De Hoge Raad heeft namelijk herhaaldelijk gezegd dat de onderzoeksplicht van de inspecteur in beginsel niet verder gaat dan dat. Dat ‘niet verder gaan’ zit ‘m er in dat de inspecteur als regel niet verplicht is om ook dossiers te raadplegen die zijn aangelegd voor
andere belastingplichtigenof voor
andere belastingsoortenvan dezelfde belastingplichtige. De inspecteur is alleen verplicht tot een onderzoek buiten het dossier van de betreffende belastingplichtige over de betreffende belastingsoort, als de gegevens die in dát dossier zitten, aanleiding geven tot nader onderzoek
buitendat dossier:
5.2.1 Naar aanleiding van het hiervoor in 5.1 vermelde betoog stelt de Hoge Raad voorop dat de inspecteur bij het regelen van een aanslag in de IB/PVV van de belastingplichtige in het algemeen kan volstaan met het raadplegen van het (digitale) dossier dat de aangiften en andere gegevens voor de IB/PVV van die belastingplichtige bevat. Met name bestaat voor de inspecteur niet de verplichting tot het raadplegen van (digitale) dossiers die door hem of door een andere inspecteur zijn aangelegd voor andere belastingplichtigen of andere belastingen, ook niet als de mogelijkheid bestaat dat daarin gegevens worden aangetroffen die voor het regelen van de bedoelde aanslag in de IB/PVV van belang kunnen zijn. In het algemeen is de inspecteur slechts dan verplicht tot een onderzoek buiten het (digitale) dossier van de belastingplichtige indien de daarin aanwezige gegevens daartoe redelijkerwijs aanleiding geven.” [4]
nietkan volstaan met minder. De conclusie van de rechtbank is dat de inspecteur die een aanslag wil gaan vaststellen, eerst alle over de betreffende belastingplichtige beschikbare informatie die gaat over dezelfde belastingsoort moet bekijken. [6] Als hij dat niet doet, kan dat later een ambtelijk verzuim opleveren.
had moetengaan twijfelen. Het gaat er volgens art. 16, eerste lid (slotzin), van de AWR, immers om of er sprake was van een feit dat de inspecteur ‘redelijkerwijs bekend had kunnen zijn’.
als zodanigniet kwalificeert als procederen tegen beter weten in en ook niet als ernstig onzorgvuldig handelen. Dat de rechtbank die vergoeding in beroep wel aan eiser toekent, doet daar niet aan af. De vraag of er in dit geval sprake was van bijzondere omstandigheden in de zin van het Bpb is naar het oordeel van de rechtbank een kwestie waarover partijen in redelijkheid van mening konden verschillen.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar, behoudens de beslissing over de boete;
- vernietigt de navorderingsaanslag;
- vernietigt de beschikking belastingrente;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van een aanvullende vergoeding aan eiser van € 1.694 voor de proceskosten ter zake van de bezwaarprocedure;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.750,- aan proceskosten aan eiser ter zake van de beroepsprocedure;
- bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 50,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de inspecteur tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500;
- veroordeelt de Staatssecretaris tot het betalen van een vergoeding van immateriële schade aan eiser tot een bedrag van € 500.