ECLI:NL:RBNNE:2024:3102

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 juli 2024
Publicatiedatum
9 augustus 2024
Zaaknummer
C/18/236012 KG RK 24-233
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 1:261 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wrakingsverzoek rechter wegens niet oproepen gezinsvoogd afgewezen

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen mr. M.C. van Woudenberg, rechter in een zaak over de opheffing van een ondertoezichtstelling van een minderjarige. Zij stelden dat de rechter niet objectief kon beslissen omdat de vaste gezinsvoogd niet was opgeroepen, wat het beginsel van hoor en wederhoor zou schenden.

De rechter gaf aan dat het niet oproepen van de gezinsvoogd een regiebeslissing was om de zaak niet vooraf aan te houden. De gecertificeerde instelling was als belanghebbende opgeroepen en de Raad als informant. Tijdens de zitting zou blijken of aanvullende oproeping van de gezinsvoogd nodig was.

De wrakingskamer oordeelde dat een procesbeslissing zoals deze niet kan leiden tot wraking, tenzij sprake is van objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid, wat hier niet het geval was. Het verzoek werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet in de huidige stand van zaken. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt kennelijk ongegrond verklaard en de hoofdzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD NEDERLAND

Zittingsplaats Assen
Wrakingskamer
zaaknummer: C/18/236012/ KG RK 24-233
Beslissing van 16 juli 2024
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker 1],
[verzoeker 2]en
[verzoeker 3]
hierna te noemen: verzoekers,
strekkende tot de wraking van
mr. M.C. van Woudenberg,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 1 juli 2024;
- de schriftelijke reactie van de rechter van 8 juli 2024.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Verzoekers hebben in de zaak met [zaaknummer hoofdzaak] per emailbericht van 1 juli 2024
voorafgaand aan de zitting een schriftelijk verzoek tot wraking van de rechter ingediend.
De zaak betreft een verzoek van de minderjarige [verzoeker 2] tot opheffing van de ondertoezichtstelling ex. artikel 1:261, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.
Verzoekers hebben aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de rechter niet tot een objectief besluit kan komen, omdat ten onrechte [gezinsvoogd] (vaste gezinsvoogd) niet is opgeroepen voor de zitting en dit wel noodzakelijk is voor een goede interpretatie van de zaak. Door [gezinsvoogd] niet op te roepen, wordt aldus verzoekers niet voldaan aan het beginsel van hoor en wederhoor.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft
schriftelijk op het verzoek gereageerd. De rechter heeft aangevoerd dat sprake is van een door haar genomen regiebeslissing voorafgaand aan de zitting (namelijk om de behandeling van de zaak niet op voorhand aan te houden). De minderjarige [verzoeker 2] is verzoeker. Als belanghebbenden zijn aangemerkt de ouders ( [verzoeker 1] en [verzoeker 3] ) en de gecertificeerde instelling (GI). De Raad is ambtshalve als informant opgeroepen. Ter zitting zal alle gelegenheid zijn voor hoor en wederhoor en zal moeten blijken of de vertegenwoordiger van de GI de rechter en belanghebbenden inhoudelijk kan voorlichten dan wel of het noodzakelijk is dat [gezinsvoogd] alsnog zal worden opgeroepen.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een partij kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.
3.2.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.3.
De wrakingskamer stelt vast dat de beslissing van de rechter om op voorhand [gezinsvoogd] niet voor de zitting op te roepen, moet worden aangemerkt als een procesbeslissing. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer ECLI:NL:HR:2018:1413) blijkt dat een procesbeslissing als zodanig nooit een grond kan vormen voor wraking, omdat wraking geen verkapt rechtsmiddel is. Ook voor de motivering van de procesbeslissing geldt in het algemeen dat dit geen grond is voor wraking. Dit kan alleen anders zijn als de motivering in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten niet anders kan worden begrepen dan als een uiting van vooringenomenheid. Hiervan is geen sprake. Temeer nu de zitting nog moet plaatsvinden, de oproeping van de GI zoals die nu heeft plaatsgevonden de gebruikelijke gang van zaken is en door de rechter is aangegeven dat mocht tijdens de zitting blijken dat er onvoldoende informatie voorhanden is, [gezinsvoogd] alsnog opgeroepen en gehoord kan worden. Het wrakingsverzoek wordt dan ook kennelijk ongegrond verklaard.
3.4.
Omdat sprake is van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond.
4.2.
bepaalt dat de hoofdzaak (met [zaaknummer hoofdzaak] )
wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het indienen van het verzoek tot
wraking, bevond.
4.3.
beveelt onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekers, de rechter en de GI.
Deze beslissing is gegeven door de mr. J. de Vroome, voorzitter, mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman en mr. F. Sieders, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr.
H. Wachtmeester-Koning en uitgesproken op 16 juli 2024.
Deze beslissing is ondertekend door de voorzitter en de griffier.
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.