Aan betrokkene, een autoleasebedrijf, is een administratieve sanctie opgelegd wegens stilstaan op een voetgangersgebied. Het beroep werd ingesteld door een gemachtigde namens de lessee, waarbij ontvankelijkheid werd betwist vanwege ontbrekende machtigingen. De rechtbank oordeelt dat een tussenmachtiging aanwezig is, waardoor het beroep ontvankelijk is.
De inhoudelijke beoordeling richtte zich op de vaststelling van de gedraging, waarbij de rechtbank concludeerde dat de foto’s en verklaringen voldoende duidelijk zijn en de gedraging kan worden vastgesteld. De betrokkene stelde dat er sprake was van laden en lossen en betwistte de bebording, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank constateert een schending van de hoorplicht doordat geen aanvullende schriftelijke ronde is geboden, wat leidt tot een matiging van 25% van het sanctiebedrag. Tevens is de redelijke termijn van berechting overschreden, hetgeen een extra matiging van 25% rechtvaardigt. De sanctie wordt derhalve verlaagd tot € 65,25 inclusief administratiekosten.
Daarnaast wordt de officier van justitie veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan betrokkene, vastgesteld op € 1.187,00. De rechtbank verklaart zich onbevoegd over de wijze van uitbetaling van het te veel betaalde bedrag. De uitspraak is gedaan door kantonrechter P.G. Wijtsma op 15 augustus 2024.