I. [gedaagde] te veroordelen om binnen dertig dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis, de hiervoor bedoelde uitbouw af te breken en afgebroken te houden, voor zover die zich bevindt op het erf van [eiser] , zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan het ten dezen te wijzen vonnis te voldoen, een en ander tot een maximum van € 100.000,00;
II. [gedaagde] te bevelen de door hem verwijderde gemeenschappelijke schutting,
althans een (vrijwel) identieke schutting terug te plaatsen, alsmede de beplanting, zoals verwijderd, zulks binnen dertig dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan het ten dezen te wijzen vonnis te voldoen, een en ander tot een maximum van € 100.000,00;
III. [gedaagde] te bevelen de bedoelde aanbouw in hoogte aan te passen, zodanig dat de laatste strekkende meter in de richting van het erf van [eiser] net zo hoog wordt als de uitbouw van [eiser] , althans maximaal 2.50 meter hoog, zulks binnen dertig dagen na betekening van het ten dezen te wijzen vonnis, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor elke dag of gedeelte daarvan dat hij in gebreke blijft aan het ten dezen te wijzen vonnis te voldoen, een en ander tot een maximum van € 100.000,00;
IV. althans, subsidiair, zodanige maatregelen te treffen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
V. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure.