Eiser heeft beroep ingesteld tegen het door het Instituut Mijnbouwschade Groningen (IMG) toegekende bedrag van € 1.500 aan immateriële schadevergoeding. Het IMG had aanvankelijk de aanvraag afgewezen, maar na bezwaar een herzien besluit genomen waarin een vergoeding werd toegekend. De rechtbank heeft beoordeeld of het IMG de immateriële schade van eiser juist heeft vastgesteld en of dit niet tot onredelijke gevolgen leidt.
De rechtbank stelt vast dat het IMG een gestandaardiseerde methode hanteert waarbij vier bouwstenen worden beoordeeld: locatie, veiligheidssituatie, omvang van fysieke schade en duur van schadeafhandeling. Eiser behaalde twee punten, wat volgens het beleid geen vergoeding rechtvaardigt, maar vanwege een verruiming binnen het huishouden toch € 1.500 werd toegekend. Eiser vulde een Persoonlijke Impact Analyse (PIA) in die ernstig leed aangaf, maar dit kon het bedrag niet verhogen omdat het cumulatieve puntentotaal te laag was.
Eiser betoogde dat de individuele beoordeling niet correct was toegepast en dat het civiele recht een hogere vergoeding van minimaal € 2.500 voorschrijft. De rechtbank oordeelt dat de gestandaardiseerde methode passend en redelijk is, dat een individuele beoordeling heeft plaatsgevonden zonder afwijking van de methode, en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd waarom een afwijking gerechtvaardigd zou zijn.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond, blijft het besluit van het IMG in stand, en krijgt eiser geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter M.R. Gans op 30 oktober 2024.