Aan betrokkene is een sanctie opgelegd wegens het parkeren van een voertuig op een plek waar dat niet is toegestaan, namelijk een parkeerverbodzone in de binnenstad van Groningen. Betrokkene stelde dat vanwege medische redenen van zijn echtgenote het parkeren voor de deur noodzakelijk was. De officier van justitie handhaafde de sanctie en betrokkene stelde beroep in.
Tijdens de zitting werd vastgesteld dat de verboden gedraging niet werd betwist. De kantonrechter beoordeelde of er bijzondere omstandigheden waren die tot matiging van de sanctie konden leiden. Hoewel een overzicht van medicatie werd overgelegd, bleek niet aannemelijk dat de echtgenote niet naar de dichtstbijzijnde parkeerplaats kon lopen of dat het onmogelijk was dat zij wachtte terwijl betrokkene de auto parkeerde.
De kantonrechter concludeerde dat er voldoende alternatieve parkeermogelijkheden op korte afstand aanwezig zijn en dat de noodzaak tot parkeren voor de deur niet is aangetoond. De informatieplicht was niet geschonden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en de sanctie bleef in stand.