ECLI:NL:RBNNE:2024:5143
Rechtbank Noord-Nederland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen erkenning en tenuitvoerlegging Belgisch confiscatiebevel
De rechtbank Noord-Nederland behandelde op 18 december 2024 het beroep van veroordeelde tegen de beslissing van de officier van justitie tot erkenning en tenuitvoerlegging van een confiscatiebevel uit België. Het beroep was ingesteld op grond van artikel 39 van Pro de WWETGC en werd getoetst aan Verordening (EU) 2018/1805.
De raadsman van veroordeelde voerde meerdere gronden aan, waaronder vermeende dubbele inning en verjaring van het beslag. De rechtbank verwierp het dubbel innen-verweer op basis van artikel 16 van Pro Verordening 2018/1805, dat een maximumbedrag aan opbrengst waarborgt. Ook werd het verweer dat de beslissing te oud en verjaard zou zijn verworpen, omdat de verjaringstermijn door het openen van een strafuitvoeringsonderzoek in 2020 was gestuit en sindsdien een nieuwe termijn van tien jaar loopt.
Verder oordeelde de rechtbank dat de termijn van 45 dagen voor besluitvorming door de officier van justitie, genoemd in artikel 20 van Pro Verordening 2018/1805, niet bedoeld is ter bescherming van de veroordeelde, maar voor de afwikkeling tussen lidstaten. De rechtbank concludeerde dat de procedure correct was gevolgd en geen weigeringsgronden aanwezig waren.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde daarmee de erkenning en tenuitvoerlegging van het Belgische confiscatiebevel van 135.136 euro.
Uitkomst: Het beroep tegen de erkenning en tenuitvoerlegging van het Belgische confiscatiebevel wordt ongegrond verklaard.