Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen de opschorting en definitieve stopzetting van haar bijstandsuitkering per 19 juni 2024, omdat zij weigerde bankafschriften over de periode januari tot april 2024 te overleggen. Het college had meerdere malen om deze gegevens gevraagd en een hersteltermijn geboden. Verzoekster gaf aan vanwege bedreigingen en een onveilige situatie niet te kunnen meewerken.
De voorzieningenrechter erkent de financiële noodsituatie en de veiligheidsrisico's van verzoekster, die terminaal ziek en rolstoelgebonden is. Toch oordeelt hij dat de gevraagde bankafschriften van belang zijn voor de rechtmatigheid van de uitkering en dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het overleggen hiervan haar veiligheid in gevaar brengt.
Het college bood zelfs een alternatieve wijze van inzage via een beeldscherm aan, maar verzoekster maakte hier geen gebruik van. De voorzieningenrechter concludeert dat verzoekster haar medewerkingsverplichting heeft geschonden, waardoor het college terecht de uitkering heeft beëindigd.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter C.H. de Groot op 18 december 2024.