Appellant diende een aanvraag in voor bijstand en verklaarde geen vermogen te hebben in Marokko, maar wel een bankrekening met een klein saldo. Het dagelijks bestuur vroeg herhaaldelijk om bankafschriften van deze rekening, die appellant niet overlegde. Na opschorting en meerdere verzoeken trok het dagelijks bestuur per 1 september 2019 de bijstand in wegens schending van de inlichtingen- en later medewerkingsverplichting.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigt deze uitspraak omdat het dagelijks bestuur de intrekking aanvankelijk op een onjuiste wettelijke grondslag baseerde. Het dagelijks bestuur wijzigde dit in hoger beroep naar schending van de medewerkingsverplichting. De Raad oordeelt dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat het onmogelijk was de bankafschriften te verkrijgen, waardoor de medewerkingsverplichting redelijkerwijs van hem kon worden verlangd.
De belangenafweging door het dagelijks bestuur was niet onevenwichtig; het besluit tot intrekking was geschikt, noodzakelijk en evenwichtig. Appellant kon opnieuw bijstand aanvragen maar deed dit niet. De Raad kent appellant een schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn en veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten.