Eiser diende een aanvraag in op grond van de Wet open overheid (Woo) gericht op informatie over een toegestane taxicentrale in de gemeente Noardeast-Fryslân. Het college stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4.6 Woo, stellende dat eiser kennelijk een ander doel had dan het verkrijgen van publieke informatie, namelijk geldelijk gewin. Het bezwaar van eiser werd door het college niet-ontvankelijk verklaard wegens vermeend misbruik van recht.
Eiser stelde beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. De rechtbank behandelde het beroep en oordeelde dat het college onvoldoende zwaarwichtige gronden had aangevoerd om het beroep niet-ontvankelijk te verklaren wegens misbruik van recht. De rechtbank benadrukte dat het recht op toegang tot de rechter niet onnodig mag worden beperkt, zeker niet wanneer het beroep het enige middel is om tegen de buitenbehandelingstelling op te komen.
Verder oordeelde de rechtbank dat ook de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens misbruik van recht niet standhoudt. De rechtbank vond de aangevoerde feiten onvoldoende zwaarwegend om te concluderen dat het bezwaar kennelijk zonder redelijk doel of met kwade trouw was ingediend. Het college werd opgedragen binnen vier weken opnieuw op het bezwaar te beslissen en het griffierecht aan eiser te vergoeden.