ECLI:NL:RVS:2023:2061
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens misbruik bevoegdheid bij Wob-verzoek inzake verkeersboete
Appellant verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van documenten met betrekking tot een aan zijn vader opgelegde verkeersboete. De minister maakte enkele documenten gedeeltelijk openbaar, weigerde andere en verklaarde sommige bezwaren niet-ontvankelijk. De rechtbank oordeelde dat het motiveringsgebrek kon worden gepasseerd en dat het belang van privacy van ambtenaren zwaarder woog dan openbaarmaking van namen en handtekeningen.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte aan het motiveringsgebrek voorbijging en dat het belang van openbaarmaking zwaarder woog. Tevens betoogde hij dat er meer documenten moesten zijn en dat de rechtbank niet op alle beroepsgronden was ingegaan. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het Wob-verzoek en het hoger beroep misbruik van bevoegdheid vormden, omdat het verzoek feitelijk diende om de verkeersboete aan te vechten, waarvoor andere rechtsmiddelen openstonden.
De Afdeling oordeelde dat de Wob niet bedoeld is om informatie over verkeersboetes te verkrijgen binnen het kader van bezwaar- en beroepsprocedures en dat de verzoeker voldoende kennis en ervaring had om dit te weten. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van bevoegdheid bij het Wob-verzoek.