Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.Het verzoek
4.De beoordeling
5.Beslissing
871
Rechtbank Noord-Nederland
De man verzocht de rechtbank om de voorlopige zorgregeling voor hun minderjarige kind te wijzigen, waarbij hij een uitbreiding van de omgangstijden en een andere verdeling van vakanties en feestdagen voorstelde. De rechtbank overwoog dat de artikelen 822 en 824 Rv niet van toepassing waren en het verzoek als een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro moest worden beoordeeld.
De rechtbank stelde vast dat er reeds een voorlopige zorgregeling van kracht was, vastgesteld bij beschikking van 11 mei 2023, en dat partijen nadere afspraken hadden gemaakt over de omgangstijden. Tevens liep een hulpverleningstraject bij een hulpverleningsorganisatie, waarin partijen afspraken maken over de definitieve zorgregeling.
De rechtbank oordeelde dat de man onvoldoende spoedeisend belang had bij een voorlopige voorziening, omdat de bodemprocedure kon worden afgewacht en het verzoek onvoldoende onderbouwd was. Gezien het lopende hulpverleningstraject en de bestaande voorlopige regeling was een onmiddellijke wijziging niet noodzakelijk.
Daarom verklaarde de rechtbank het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat de zaak verder inhoudelijk in de bodemprocedure zal worden behandeld.
Uitkomst: Het verzoek tot wijziging van de voorlopige zorgregeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan spoedeisend belang.