De zaak betreft een civiele procedure waarin eiser, een advocaat, betaling vordert van drie declaraties voor juridische bijstand aan gedaagde, een consument. De overeenkomst tussen partijen is mondeling tot stand gekomen zonder schriftelijke opdrachtbevestiging. Gedaagde betwist de vordering primair op grond van een niet-transparant en oneerlijk kostenbeding en stelt dat de vordering deels verjaard is.
De rechtbank stelt vast dat gedaagde als consument handelt en dat het kostenbeding een kernbeding is dat getoetst moet worden op transparantie en eerlijkheid conform de Richtlijn oneerlijke bedingen en het HvJEU-arrest van 12 januari 2023. Het kostenbeding is onvoldoende transparant omdat vooraf geen duidelijke raming van uren of tussentijdse facturering is overeengekomen, waardoor gedaagde niet met voldoende zekerheid de financiële consequenties kon inschatten.
Desondanks oordeelt de rechtbank dat het kostenbeding niet oneerlijk is omdat het niet leidt tot een aanzienlijke verstoring van het evenwicht tussen partijen. De gehanteerde uurtarieven zijn redelijk en in lijn met de gedragsregels voor advocaten. Verder is de vordering niet verjaard omdat de declaraties pas opeisbaar werden na beëindiging van de rechtsbijstand, wat door partijen niet betwist is.
De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van het volledige gevorderde bedrag van € 76.201,55, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 16 mei 2021, en in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.