Eiser, een agrarisch ondernemer, maakte bezwaar tegen het door Gedeputeerde Staten gehanteerde eigen risico van 2% van zijn jaaromzet bij de vergoeding van schade veroorzaakt door ganzen in 2021. Het college had aanvankelijk 20% eigen risico gehanteerd, maar dit verlaagd naar 2% na bezwaar van eiser. De rechtbank beoordeelde of dit eigen risico onevenredig was en of bijzondere omstandigheden golden.
De rechtbank concludeerde dat het eigen risico van 2% niet onredelijk is en niet gebaseerd is op het door eiser aangevoerde onjuist rapport. Ook werden de door eiser aangevoerde bijzondere omstandigheden, zoals de ligging van zijn gronden nabij Natura 2000-gebieden en het verbod op ganzenverjaging, niet als voldoende onderbouwd erkend om het eigen risico te verlagen. Daarnaast faalde eiser in het aantonen dat de schade hoger was dan getaxeerd.
Wel oordeelde de rechtbank dat het college de wettelijke rente over de nabetaling niet had toegekend, wat in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het college heeft dit later gecorrigeerd, waardoor het beroep gegrond werd verklaard, het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen in stand bleven. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.