Uitspraak
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst MKB/kantoor Leeuwarden, de inspecteur
Inleiding
Feiten
“1.1 Reikwijdte van het onderzoek
Onderzocht is de aanvaardbaarheid van:
- de aangiften inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen van de jaren 2016 tot en met 2020
- de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken in de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2021
op naam van [eiser] contant geld is gestort. In de periode 14-07-2015 t/m 09-09-2019 wordt op rekening[bankrekeningnummer]
t.n.v. dhr. [eiser] in 46 transacties, middels een stortingsapparaat, een bedrag van € 484.330 gestort in coupures van 63 x € 500, 131 x € 200, 1.034 x € 100, 6.313 x € 50 en 379 x € 20. De contant gestorte gelden hebben geen specifieke bestemming en gaan op in het rekeninggebruik.
geconstateerd. Op beide momenten heeft [eiser] besloten veel van zijn paarden te verkopen. De beslissing om in 2016 en 2019 veel paarden te verkopen verklaart de hoge verkoopopbrengsten in 2017 en 2019.
De paarden worden opgehaald door de kopers zelf of door een transportbedrijf maar dat moet de kopers zelf regelen. Er wordt geen koopcontract opgesteld en er worden ook geen afhaalverklaringen, betaalverklaringen, of kwitanties afgegeven. De koper krijgt het paard en bijbehorende paspoort pas mee als de hele koopsom is voldaan. "Je doet geen paarden weg zonder te betalen". Het is [eiser] wel eens overkomen dat een cheque niet was gedekt of dat het resterende bedrag niet werd voldaan.
Aangezien de accountant de boekhouding doet, wist hij van deze handelswijze af. [eiser] heeft onlangs het advies gekregen om de herkomst van deze gelden te documenteren.
Inkomstenbelasting
Bij deze verklaar ik dat naar mijn idee en waarneming de handelingen en beslissingen omtrent de paarden hobby van [eiser en zijn echtgenote] door hen beiden in gezamenlijkheid verricht werden.
Regelmatig hebben wij over de paardenhobby gesproken, waarbij het voor mij altijd duidelijk was dat het een gezamenlijke passie betrof, en dat de beslissingen en ideeen door hen gezamenlijk werden genomen en gevormd.”
Bij deze verklaar ik dat [eiser en zijn echtgenote] beiden verantwoordelijk zijn geweest en nog zijn voor het bedrijven van hun paardenhobby.
Beoordeling door de rechtbank
in het algemeenonvoorspelbaar is hoe de ontwikkeling zal verlopen, maar
in het geval van eiserwas dat anders. Eiser heeft doelbewust getracht de juiste paarden te selecteren en zijn beroepsmatig bovengemiddelde kennis van paarden in het economisch verkeer ingezet en feitelijk te gelde gemaakt. Was dat in een handjevol gevallen (incidenteel) gebeurd, zou de vraag opkomen of een en ander in de hobbysfeer moet worden geplaatst, maar vanwege de aanzienlijke aantallen is daar volgens de rechtbank geen sprake van. Uit dit alles maakt de rechtbank op dat het voordeel naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs kon worden verwacht. Ook leidt de rechtbank uit de omstandigheden af dat eiser dit voordeel ook heeft beoogd: misschien was eiser niet welbewust op zoek naar een maximalisatie van de opbrengst van elk paard afzonderlijk, maar dat is niet doorslaggevend. Het gaat erom of eiser met zijn activiteiten een per saldo positieve opbrengst nastreefde. Dat is het geval, ook al omdat eiser in sommige gevallen moeite deed om het paard in Polen onder te brengen bij een deskundige, met het oog op het ontwikkelen van eigenschappen en het verwerven van vaardigheden die bij latere verkoop gunstig zouden zijn. De conclusie van de rechtbank is dat aan alle bronvoorwaarden is voldaan, zodat de paardenactiviteiten een bron van inkomen vormen. Zoals partijen eensluidend hebben verklaard, is die bron dan winst uit onderneming. De stelling van eiser dat hij als gevolg van een ernstige ziekte geen andere keuze had dan de paarden te verkopen, doet aan dit oordeel niet af, omdat ook onder die omstandigheid het voordeel nog steeds werd beoogd en naar maatschappelijke opvattingen redelijkerwijs kon worden verwacht.
voor haar rekening en risico werd gedreven. Ook de omstandigheid dat eiser en zijn echtgenote in algemene gemeenschap van goederen zijn getrouwd brengt niet mee dat de echtgenote kan worden aangemerkt als ondernemer. [5] Anders gezegd: fiscaalrechtelijk bestaat er in zulke gevallen een ‘eigen’ (persoonlijk) ondernemingsvermogen. Het gaat erom dat eiser bewijst dat de onderneming in gelijke mate ook voor rekening en risico van zijn echtgenote werd gedreven, en daarvoor bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten. De rechtbank leunt voor haar oordeel zwaar op de omstandigheid dat de opbrengsten uit de verkoop van de paarden steevast zijn gestort op een bankrekening ten name van (alleen) eiser waar ook andersoortige inkomsten op werden gestort, zoals zijn AOW-uitkering en pensioen. De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat de ontvangen bedragen ter zake van de verkoop van de paarden structureel zijn doorgestort op een rekening van een B.V. van eiser (als agio), en niet (voor de helft) zijn doorgestort aan de echtgenote, dit terwijl de hiervoor genoemde andere inkomsten wél steeds voor de helft worden doorgestort op een rekening ten name van (alleen) de echtgenote. Ten slotte is er geen concreet bewijs voorhanden waaruit zou volgen dat een afnemer zaken deed met een personenvennootschap die mede bestond uit de echtgenote. Ook de inschrijving van een personenvennootschap tussen eiser en zijn echtgenote per 12 mei 2022 in het handelsregister van de KvK brengt de rechtbank niet op andere gedachten, reeds omdat deze inschrijving ver na de hier relevante jaren heeft plaatsgevonden. In dit licht bezien, heeft eiser onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat de onderneming mede voor rekening en risico van zijn echtgenote werd gedreven. Deze beroepsgrond slaagt niet.