Partijen zijn de ouders van een minderjarige dochter die sinds augustus 2024 bij de moeder woont, terwijl zij eerder bij de vader verbleef. Na het verbreken van de relatie hadden partijen een ouderschapsplan en diverse rechterlijke uitspraken over zorgverdeling en kinderalimentatie. De dochter heeft via een informele rechtsingang haar hoofdverblijf gewijzigd naar de moeder.
De moeder verzoekt de rechtbank om vaststelling van een nieuwe bijdrage van de vader in de kosten van verzorging en opvoeding. De rechtbank beoordeelt dat de wijziging van het hoofdverblijf een herbeoordeling van de onderhoudsverplichtingen rechtvaardigt. De rechter past het gangbare rekenmodel toe, corrigeert ambtshalve de door partijen voorgerekende draagkracht en houdt rekening met bijzondere lasten van de moeder.
De draagkracht van de moeder wordt vastgesteld op €618 per maand, die van de vader op €667 per maand na correcties op zijn inkomen en lasten. Met een zorgkorting van 5% komt de bijdrage van de vader uit op €407 per maand. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het verzoek voor een hoger bedrag wordt afgewezen.