Deze zaak betreft een jongen van ongeveer vijftien jaar die op jonge leeftijd door een Nederlandse vrouw uit Nigeria naar Nederland is gebracht met de intentie hem te adopteren. De vrouw heeft echter jarenlang nagelaten de adoptie hier te laten erkennen, waardoor de minderjarige zonder wettige verblijfsbasis in Nederland verbleef en geen gezag over zich had. Na een aanhouding wegens een strafbaar feit kwam deze situatie aan het licht.
De rechtbank beoordeelt het verzoek tot erkenning van de buitenlandse adoptie, waarbij zij vaststelt dat de adoptieprocedure in Nigeria mogelijk niet aan de vereiste wettelijke normen voldeed en dat de Nederlandse Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka) niet is nageleefd. Bovendien is interlandelijke adoptie in Nederland sinds mei 2024 stopgezet, en het verzoek is te laat ingediend.
Desondanks weegt de rechtbank het belang van de minderjarige zwaar, zoals vastgelegd in het Kinderrechtenverdrag, en concludeert dat afwijzing van het verzoek leidt tot een onmenselijke situatie: de minderjarige verblijft illegaal, kan worden opgesloten in vreemdelingendetentie en heeft geen recht op zorg of bescherming. Daarom erkent de rechtbank de adoptie en stelt de geboorte- en geslachtsnaam vast.
De rechtbank benadrukt dat het belang van het kind de voornaamste overweging is en dat de adoptie de enige manier is om bestaanszekerheid, identiteit en bescherming voor de minderjarige te waarborgen. Tevens wordt een onderzoek ingesteld naar de opvoedsituatie om eventuele zorgen over het welzijn van de minderjarige te adresseren.