Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNNE:2025:2081

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
27 mei 2025
Publicatiedatum
27 mei 2025
Zaaknummer
C/18/243380 / FA RK 25-1188
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253q BWArt. 1:253r BWArt. 1:277 BWArt. 1:141 BWArt. 1:257 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tijdelijke voogdij wegens onvoldoende feiten en bevoegdheid

Nidos verzocht de rechtbank Noord-Nederland om benoeming als (tijdelijke) voogd over een minderjarige betrokkene op grond van artikel 1:253q/r BW. Het verzoekschrift bevatte onvoldoende concrete feiten om de bevoegdheid van de rechtbank aan te nemen en om de noodzaak van een voogdijmaatregel vast te stellen.

De rechtbank oordeelde dat het enkel vermelden van een verblijf in een asielzoekerscentrum in Ter Apel onvoldoende is om een bestendige verblijfplaats aan te nemen, mede omdat minderjarige asielzoekers doorgaans snel elders worden ondergebracht. Daarnaast waren de feiten onvoldoende om te concluderen dat er sprake is van een gezagsvacuüm dat een ingrijpende voogdijmaatregel rechtvaardigt.

De rechtbank benadrukte dat alleen zeer uitzonderlijke omstandigheden een dergelijke maatregel kunnen rechtvaardigen, omdat dit het gezag van de ouders schorst. Nidos werd daarom bevolen haar stellingen nader toe te lichten binnen vier weken, zonder uitstel, en gewezen op de mogelijkheid lichtere maatregelen te overwegen zoals voorlopige voogdij via de Raad voor de Kinderbescherming.

De beschikking werd gegeven door een meervoudige kamer en uitgesproken op 27 mei 2025.

Uitkomst: Het verzoek tot benoeming van Nidos als tijdelijke voogd wordt afgewezen wegens onvoldoende feiten over bevoegdheid en noodzaak.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht
Locatie Groningen
zaak-/rekestnummer: C/18/243380 / FA RK 25-1188
beschikking van de meervoudige kamer d.d. 27 mei 2025
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
Stichting Nidos,
die is gevestigd in Utrecht,
en die hierna "de GI" wordt genoemd,
over de persoon die door de GI wordt aangeduid als
[naam kind],
die is geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
en die hierna "betrokkene" wordt genoemd.

1.Het procesverloop

1.1.
Op 27 maart 2025 heeft de rechtbank een verzoekschrift van de GI ontvangen.
1.2.
De zaak is op 15 april 2025 doorverwezen naar een meervoudige kamer van deze rechtbank.
1.3.
Daarna is bepaald dat deze beschikking wordt gegeven.

2.Het verzoek

2.1.
De GI verzoekt de rechtbank om haar als (tijdelijke) voogd over betrokkene te benoemen en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
2.2.
Aan het verzoek legt de GI, samengevat weergegeven, ten grondslag dat sprake is van een al dan niet tijdelijke onmogelijkheid van de gezaghebbende ouder(s) van betrokkene om het gezag uit te oefenen en/of dat diens bestaan of verblijfplaats onbekend is.

3.De beoordeling

3.1.
Het verzoek van Nidos wordt gebaseerd op artikel 1:253q/r van het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.2.
De rechtbank neemt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter aan op basis van artikel 5 en Pro 6 van het Verdrag inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen, gesloten te ’s-Gravenhage op 19 oktober 1996, Trb. 1997, 299. In deze zaak is daarnaast op grond van artikel 15, eerste lid, van hetzelfde verdrag in beginsel het Nederlands recht van toepassing.
3.3.
Voor het overige wordt als volgt overwogen.
3.4.
Artikel 278, eerste lid, Wetboek van Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat het verzoekschrift de voornamen, naam en woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, het werkelijk verblijf van de verzoeker vermeldt, alsmede een duidelijke omschrijving van het verzoek en de gronden waarop het berust.
3.5.
Artikel 279 Rv Pro schrijft voor dat de rechter, tenzij hij zich aanstonds onbevoegd verklaart of het verzoek toewijst, onverwijld dag en uur bepaalt waarop de behandeling aanvangt.
3.6.
Bij de beoordeling van de relatieve bevoegdheid is de rechtbank gebonden aan de tweede afdeling van Boek 1 Rv (artikel 262 t/m 270 Rv). Het verzoekschrift van Nidos bevat onvoldoende feiten om vast te kunnen stellen dat de rechtbank Noord-Nederland inderdaad bevoegd is. In het verzoekschrift wordt enkel vermeld dat betrokkene verblijft in een asielzoekerscentrum op het adres: [adres asielzoekerscentrum] Ter Apel. Deze gegevens zijn ontoereikend om aan te nemen dat sprake is van een verblijfplaats met een voldoende bestendig karakter. Het is een feit van algemene bekendheid dat minderjarige asielzoekers, waarvan hier aldus Nidos sprake is, na hun aanmelding in Ter Apel direct of op korte termijn elders worden ondergebracht, zie, bijvoorbeeld, de informatie hierover op de website van Nidos zelf.
Het is daarom de vraag of in deze zaak er sprake is van een werkelijke verblijfplaats van de betrokkene in Ter Apel. Of sprake is van een bestendige werkelijke verblijfplaats is afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. De rechtbank acht zich hierover onvoldoende voorgelicht en gelast dat Nidos opgave doet van concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het opgegeven adres in Ter Apel zo kan worden gekwalificeerd of aan te geven welk ander adres inmiddels als werkelijke verblijfplaats heeft te gelden.
3.7.
Nidos stelt in het verzoekschrift daarnaast te weinig concrete feiten om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van een zodanig gezagsvacuüm dat met een (tijdelijke) voogdijmaatregel moet worden ingegrepen. In het verzoekschrift worden enkele persoonsgegevens van betrokkene en diens ouders vermeld. In verband met de gezagsuitoefening wordt, samengevat, alleen vermeld dat betrokkene op dit moment niet onder gezag staat en wordt geconstateerd dat de ouders al dan niet tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren om het gezag uit te oefenen of dat het bestaan of de verblijfplaats van de ouders onbekend is. Nidos concludeert daarbij dat, omdat betrokkene zonder ouders in Nederland verblijft, er in het gezag moet worden voorzien door middel van een (tijdelijke) voogdij.
3.8.
De gestelde feiten schieten tekort in het licht van het verstrekkende karakter van de door Nidos verzochte maatregel. Alleen “very exceptional circumstances” kunnen rechtvaardigen dat familiebanden van overheidswege worden verbroken. [1] Inwilliging van het verzoek van Nidos betekent dat het gezag van de ouder(s) wordt geschorst en pas weer wordt hersteld als de rechter de ouder(s) op verzoek weer met het gezag belast. In afwijking van artikel 1: 253q BW kan de rechter dit slechts doen als aan de vereisten van artikel 1: 277, eerste lid, BW is voldaan.
3.9.
In het verlengde hiervan wordt Nidos verzocht toe te lichten wat maakt dat niet kan worden volstaan met een lichter middel. Voor zover hierbij het standpunt wordt ingenomen dat sprake is van spoedeisendheid, wordt verzocht toe te lichten wat maakt dat niet gekozen is voor de inschakeling van de Raad voor de Kinderbescherming met als doel dat deze de rechtbank op grond van artikel 800/809, derde lid, Rv verzoekt om een voorlopige voogdijmaatregel (artikel 1:141 BW Pro) of een voorlopige ondertoezichtstelling (artikel 1:257 BW Pro). Dit betreft procedures waarin een onafhankelijke autoriteit vanuit het belang van het kind toetst of een maatregel noodzakelijk is en welke maatregel in de gegeven omstandigheden passend is.
3.10.
Voor zover Nidos bedoelt dat haar eigen verzoekschrift een verzoek betreft als bedoeld in artikel 800/809, derde lid, Rv, wordt ook gevraagd op dat standpunt een toelichting te geven. De rechtbank zal zich moeten houden aan de eisen die in deze wettelijke bepalingen zijn opgenomen. Artikel 800/809, derde lid, Rv geven een limitatieve opsomming van de verzoeken die kunnen worden gedaan en van de verzoekers die deze verzoeken kunnen doen. De tijdelijke voogdij als verzoek en Nidos als verzoeker worden in deze bepalingen niet genoemd.
Conclusie
3.11.
Nidos wordt op grond van artikel 22 Rv Pro bevolen haar stellingen bij akte toe te lichten. Daarvoor wordt een termijn van vier weken gegeven.
3.12.
Gelet op de betrokken belangen en het feit dat mag worden verwacht dat Nidos over de betreffende informatie beschikt, wordt geen uitstel van deze termijn verleend.
3.13.
Als niet wordt voldaan aan het bevel ex artikel 22 Rv Pro kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
verwijst de zaak naar de rol van 24 juni 2025 voor het nemen van een akte door Nidos;
4.2.
bepaalt dat geen uitstel van deze termijn wordt verleend.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Dijkstra, mr. S. Timmermans en mr. B.R. Tromp, (kinder)rechters, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2025. De beschikking is op diezelfde datum ondertekend door mr. S. Timmermans.

Voetnoten

1.Zie onder meer EHRM 10 september 2019, 37283/13 (Strand Lobben en anderen versus Noorwegen), par. 207.