ECLI:NL:RBNNE:2025:2166
Rechtbank Noord-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering WOZ-waarde woning wegens onvoldoende onderbouwing heffingsambtenaar
Eiser, eigenaar van een appartement van 90 m2, betwistte de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarde van €178.000 voor het belastingjaar 2023. De heffingsambtenaar handhaafde deze waarde na bezwaar. De rechtbank beoordeelde het beroep en concludeerde dat de heffingsambtenaar onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld.
De rechtbank vond drie van de vier referentieobjecten in de waardematrix goed vergelijkbaar, terwijl het eerste referentieobject vanwege afwijkende kenmerken niet bruikbaar was. Op basis van de drie vergelijkbare referenties stelde de rechtbank de WOZ-waarde vast op €171.000, zoals door eiser bepleit. De uitspraak op bezwaar werd vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Verder oordeelde de rechtbank dat de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase moest worden berekend volgens de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (WHpkv). Eiser slaagde er niet in aannemelijk te maken dat sprake was van een bijzonder geval dat een afwijkende vergoeding rechtvaardigde. De rechtbank wees een proceskostenvergoeding van €1.634,13 toe en verordonneerde vergoeding van het griffierecht.
De rechtbank verwierp tevens het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel en het eigendomsrecht uit het EVRM. De redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot gevolgen omdat eiser dit niet tijdig had aangevoerd. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland op 3 juni 2025.
Uitkomst: De WOZ-waarde van de woning wordt vastgesteld op €171.000 en de heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.