Aan betrokkene werd een boete opgelegd wegens het overschrijden van een doorgetrokken streep op 22 februari 2023. Betrokkene stelde beroep in tegen de boete, dat door de officier van justitie ongegrond werd verklaard. Vervolgens werd beroep ingesteld bij de kantonrechter.
Tijdens de zitting op 12 juni 2025 voerde de gemachtigde van betrokkene aan dat ten onrechte geen staandehouding had plaatsgevonden en dat de boete met 25% gematigd moest worden wegens schending van de hoorplicht. De officier van justitie stelde dat de boete met 50% gematigd moest worden wegens hoorplicht en redelijke termijn.
De kantonrechter stelde vast dat de gedraging vaststond en geen aanleiding bestond tot vernietiging van de boete. Wel werd de boete met 25% gematigd wegens schending van de hoorplicht en nogmaals met 25% wegens overschrijding van de redelijke termijn, waardoor de boete werd verlaagd tot €149,63. De officier van justitie werd veroordeeld in de proceskosten van €453,50. Er was geen sprake van aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, zodat kosten in administratief beroep niet werden vergoed.