ECLI:NL:RBNNE:2025:2443

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
16 juni 2025
Publicatiedatum
20 juni 2025
Zaaknummer
18-001014-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
  • M. J. van der Meer
  • P. de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Poging tot doodslag met een hakmes tijdens een conflict op nieuwjaarsnacht

In de zaak van de Rechtbank Noord-Nederland, behandeld op 16 juni 2025, is de verdachte veroordeeld voor poging tot doodslag. De verdachte heeft in de nacht van oud en nieuw, op 1 januari 2025, een conflict gehad met de aangever, waarbij hij met een hakmes op de aangever heeft ingestoken. De aangever raakte hierbij in zijn arm en buik, wat leidde tot aanzienlijk bloedverlies en de noodzaak van medische hulp. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte, hoewel niet met de intentie om te doden, wel de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft aanvaard door zijn gewelddadige handelingen. De rechtbank heeft de verdachte een gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals toezicht door de reclassering en een alcoholverbod. De rechtbank heeft ook een schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij, die schade heeft geleden door de aanval. De uitspraak benadrukt de ernst van het geweld en de gevolgen voor de aangever, evenals de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die jong is en voor het eerst in aanraking komt met de strafrechter.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Groningen
parketnummer 18-001014-25
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 juni 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,
thans gedetineerd te [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 3 juni 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Broekstra.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats] in de gemeente Midden-Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
-Een mes (een (groot) kapmes en/of een (groot)slagersmes heeft gepakt (uit een keukenla) en/of
-Achter die [slachtoffer] is aangerend met het mes in zijn hand(en) en/of
-Met dat mes zwaaiende en/of slaande bewegingen heeft gemaakt naar die [slachtoffer] en/of;
-Die [slachtoffer] meermalen met het mes (op meerdere plaatsen) op of in het lichaam heeft gestoken en/of waarbij hij die [slachtoffer] op meerdere plekken heeft geraakt (zijkant van de buik en/of in de buik en/of in de arm en/of voet), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 1 januari 2025 te [plaats] in de gemeente Midden-Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
-Een mes (een (groot) kapmes en/of een (groot)slagersmes heeft gepakt (uit een keukenla) en/of
-Achter die [slachtoffer] is aangerend met het mes in zijn hand(en) en/of
-Met dat mes zwaaiende en/of slaande bewegingen heeft gemaakt naar die [slachtoffer] en/of;
-Die [slachtoffer] meermalen met het mes (op meerdere plaatsen) op of in het lichaam heeft gestoken en/of waarbij hij die [slachtoffer] op meerdere plekken heeft geraakt (zijkant van de buik en/of in de buik en/of in de arm en/of voet), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich primair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Subsidiair heeft hij zich op het standpunt gesteld dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het onderzoek door de politie onvolledig is geweest en dat niet kan worden vastgesteld wat er precies is gebeurd en wat er in het hoofd van verdachte is omgegaan, aangever en getuigen verklaren in verschillende bewoordingen dat er is gezwaaid met het mes. Op grond van die omstandigheid, in combinatie met het vastgestelde letsel, kan niet zonder meer worden vastgesteld dat verdachte de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel heeft aanvaard.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.
1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 januari 2025, opgenomen op p. 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer [nummer] (onderzoek: BREKKEFOSS) d.d. 6 februari 2025, inhoudend als verklaring van aangever [slachtoffer] :
Pleegdatum/tijd : Tussen woensdag 1 januari 2025 om 01:45 uur en woensdag 1 januari 2025 om 01:59 uur.
Hij draaide zich om en liep naar de la en pakte een kapmes en begon om zich heen te zwaaien. Hij had me toen een paar keer gestoken maar dat voelde ik niet direct. Ik rende toen de woning uit en rende om de auto heen. Hij rende achter mij aan zwaaiend met een mes. Ik rende naar mijn vriendin naar [adres] een stukje verderop en ben daar in de gang neergevallen.
V: Wie bedoel je met hij?
A: [verdachte] .
V: Jullie pakken elkaar bij de keel. Hoe ging dit?
A: We gingen tegen elkaar schreeuwen. We botste tegen elkaar aan en hij haalde uit naar mij. Ik weerde het af en sloeg hem terug. Op een duur lagen we op de grond te worstelen.
V: En toen?
A: Hij stond op deed de la open en pakte een mes.
A: Ik wilde hem slaan en hij probeerde mij te steken. Hij was met dat mes aan het zwaaien. V: Hoe had hij het mes vast?
A: Met zijn hand, hij hield zijn hand horizontaal. V: Wat voor bewegingen maakte hij met het mes? A: Zwaaibewegingen
V: En welke richting?
A: Naar mij toe.
V: Wat kan je over het mes zeggen wat [verdachte] vast had?
A: Een hakmes voor kip enzo. Zo'n mes waarmee je door botten heen kan hakken.
2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 januari 2025, opgenomen op p. 58 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :
A: Ik was in de gang en hoorde dat er iets werd gezegd tegen mijn oma. Die andere viel mijn neef toen aan. En die [verdachte] heeft toen mijn neef aangevallen. [verdachte] greep toen naar die keukenla en begon in het rond te zwaaien en heeft toen mijn neef geraakt.
V: Wie is jouw neef?
A: [slachtoffer] .
V: En wat kan jij ons vertellen over die steekwonden, hoe zijn die ontstaan?
A: Door een mes. Hij was eerst in zijn hand geraakt volgens mij. En hier bij zijn buik.
V: Heb je dat allemaal zelf gezien?
A: Ja ik heb [verdachte] slaan op [slachtoffer] met een mes.
V: En je zegt slaan met een mes, maar heb je ook gezien dat [verdachte] gestoken heeft?
A: Ja ja ik zag dat [slachtoffer] geraakt werd met het mes die [verdachte] in zijn handen had. V: Wat zag je dan precies?
A: [verdachte] zwaaide met het mes richting [slachtoffer] . [slachtoffer] wilde het ontwijken maar het mes van [verdachte] kwam toen op zijn arm.
V: Waar gebeurde dit?
A: In mijn huis in de keuken.
V: En de plek in zijn buik/zijkant buik, hoe is dit ontstaan?
A: [verdachte] heeft hem volgens mij geraakt met het mes toen [slachtoffer] weg wilde rennen. Ik zag later dat hij wond had aan de zijkant dus toen wist ik dat hij was geraakt.
V: Je vertelde over het wegrennen. Hoe ging dit?
A: [slachtoffer] rende weg linksom en [verdachte] rende achter hem aan. Toen wilde hij hem pakken.
V: Wat kan jij vertellen over het mes? A: Ja een kapmes.
3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 1 januari 2025, opgenomen op p. 65 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :
Ik stond buiten, op 1 januari 2025, omstreeks 2 uur. Een vriendin van mij riep naar mij dat er binnen werd gevochten. Ik ben toen naar binnen gegaan. Ik zag toen dat de man, die de politie later heeft aangehouden, een kapmes pakte uit een keukenla. Ik zag toen dat deze man een andere man meerdere malen raakte. Dit deed hij door op deze man in te hakken.

Bewijsoverweging

Op grond van de hiervoor vermelde inhoud van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat, alhoewel het onderzoek door de politie op sommige punten als summier kan worden beschouwd, er voldoende aanknopingspunten zijn over wat zich op de avond van het ten laste gelegde heeft afgespeeld. In het bijzonder wordt de verklaring van aangever, die ook zichzelf belast, door de getuigenverklaringen ondersteund en daarom door de rechtbank betrouwbaar geacht en gevolgd. Verdachte en aangever hebben, terwijl ze zich in de keuken en later op de grond bevonden, ruzie gekregen waarbij over en weer is geworsteld en gevochten. Op een gegeven moment heeft verdachte een kapmes, waarvan het snijdend deel ongeveer 20 cm is, gepakt en, ontstoken in woede, op aangever ingestoken. Verdachte heeft daarbij in een kleine ruimte, zowel gericht (met de arm horizontaal tijdens het gevecht op korte afstand op aangever gericht), als ongecontroleerd rondgezwaaid met het kapmes en hierbij de (verdere) aanval ingezet op aangever. Daarnaast heeft verdachte, toen aangever al enkele malen was gestoken en wilde vluchten, aangever met het kapmes achtervolgd. Uit de verklaringen van verdachte kan niet worden afgeleid dat hij (vol) opzet had op de dood van aangever. De beschreven gedragingen leveren echter naar algemene ervaringsregels de aanmerkelijke kans op dat iemand zodanig wordt geraakt dat hij het leven verliest. Nu dit in zijn algemeenheid voorzienbaar is, heeft verdachte met zijn gedragingen naar hun
uiterlijke verschijningsvorm de aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bewust aanvaard. Contra-indicaties hiervoor zijn niet aannemelijk geworden. Dat aangever ten gevolge van deze gedragingen niet is komen te overlijden is onafhankelijk van de gedragingen van verdachte en maakt dat de poging tot doodslag bewezenverklaard kan worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij op 1 januari 2025 te [plaats] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,
  • een kapmes heeft gepakt en
  • met dat mes zwaaiende en slaande bewegingen heeft gemaakt naar die [slachtoffer] en
  • die [slachtoffer] meermalen met het mes op meerdere plaatsen in het lichaam heeft gestoken en op meerdere plekken heeft geraakt in de buik en in de arm en
  • achter die [slachtoffer] is aangerend met het mes in zijn hand, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
primair: poging tot doodslag
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte strafbaar is.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van noodweer dan wel noodweerexces, waardoor verdachte niet strafbaar is. Hij heeft hiertoe in het bijzonder aangevoerd dat aangever als eerste het fysieke conflict heeft opgezocht en verdachte heeft geslagen. Tegen die ogenblikkelijke
wederrechtelijke aanranding mocht verdachte zich verdedigen. Het incident heeft zich afgespeeld in een kleine keuken, het was een hectische situatie en er was geen uitweg voor verdachte. Het hanteren van het mes maakt in die situatie dat verdachte mogelijk niet proportioneel heeft gehandeld. Het is echter aannemelijk dat hij in een hevige gemoedsbeweging heeft gehandeld. Er is dus sprake van noodweerexces en verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank stelt op grond van de hiervoor vermelde inhoud van de bewijsmiddelen en de bewijsmotivering ten aanzien van het primair bewezenverklaarde vast dat er eerst sprake is geweest van een woordenwisseling tussen verdachte en zijn schoonmoeder. Aangever heeft zich hiermee bemoeid en vervolgens zijn aangever en verdachte met elkaar in gevecht geraakt waarbij verdachte is vastgepakt en sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Daarnaast stelt de rechtbank vast dat het handelen van verdachte jegens aangever, te weten het meermalen steken van aangever met een kapmes in een handgemeen dat tot dan toe alleen zonder wapens werd uitgevochten , disproportioneel is geweest. De rechtbank volgt de raadsman van verdachte zoverre. Desalniettemin oordeelt de rechtbank, anders dan door de raadsman is betoogd, dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een hevige gemoedsbeweging aan de zijde van verdachte. Immers hebben verdachte en de getuigen hierover niet verklaard en bevat het dossier voor het overige geen enkele aanwijzing die de stelling van de raadsman ondersteunt. De rechtbank merkt hierbij op dat verdachte, ook na doorvragen, zegt zich juist het moment van het pakken en hanteren van het mes niet te herinneren terwijl hij voor het overige wel gedetailleerd heeft verklaard. Ook hierin ziet de rechtbank geen aanwijzing voor noodweerexces.
Het verweer wordt verworpen.
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor een lagere straf dan door de officier van justitie is geëist, gelet op zowel de persoonlijke omstandigheden van verdachte, alsmede de omstandigheid dat zowel verdachte als aangever over en weer gewelddadige handelingen hebben verricht.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het reclasseringsrapport van 13 mei 2025, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en
het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door in de nacht van oud en nieuw op aangever in te steken met een hakmes. Verdachte heeft aangever daarbij in zijn arm en buik geraakt, waarbij aangever veel bloed is verloren en bij hem tweemaal een tourniquet is aangelegd om het bloeden enigszins te kunnen stelpen. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen of blijk gegeven van oprechte spijt of medeleven in de richting van aangever, maar heeft alleen oog gehad voor zijn eigen belangen en die van zijn gezin. De rechtbank rekent verdachte dit zwaar aan.
Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft oog voor de persoonlijke omstandigheden van verdachte en weegt in zijn oordeel mee dat verdachte jong en first offender is. Daarnaast is gedurende enige tijd sprake geweest van een noodweersituatie, waartegen verdachte zich mocht verdedigen. Uit het reclasseringsrapport is gebleken dat de reclassering zich zorgen maakt over het alcoholgebruik van verdachte, alsmede dat er problemen zijn op het gebied van psychosociaal functioneren en op het gebied van agressieregulatie. Om die reden zien zij mogelijkheden, alsook noodzaak tot het inzetten van reclasseringsinterventies. Nu verdachte ter terechtzitting heeft verklaard zich aan de voorgestelde bijzondere voorwaarden in het bijzonder het alcoholverbod te houden, neemt de rechtbank voornoemd advies over en zal voornoemde voorwaarden aan verdachte opleggen.
Straf
De rechtbank acht alles afwegende een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma als bedoeld in artikel 4 van de Penitentiaire beginselenwet.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 927,13 ter vergoeding van materiële schade en 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van de materiële schade de onderbouwing voor de kleding en het horloge mist. Zij verzoekt de rechtbank deze schade te schatten op een bedrag van 100,00. De 327,13 die ziet op het eigen risico moet, gelet op de onderbouwing, volledig worden toegewezen. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt zij de rechtbank deze schade te
schatten op een bedrag van 3.000,00.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich ten aanzien van de materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de immateriële schade heeft hij zich op het standpunt gesteld dat 5.000,00 kan worden toegewezen, om de door hem verzochte lagere straf te compenseren.
Oordeel van de rechtbank
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat een deel van deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De rechtbank overweegt als volgt.
Materiële schade
Het gevorderde bedrag bestaat uit:
- eigen risico: 327,13;
- kleding: 500,00;
- horloge: 100,00.
De rechtbank wijst de schade die ziet op het eigen risico volledig toe, nu deze voldoende is onderbouwd. Ten aanzien van de kleding zal de rechtbank ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) gebruikmaken van haar schattingsbevoegdheid, nu deze schade niet is onderbouwd. Daarentegen acht de rechtbank het alleszins voorstelbaar dat de benadeelde partij schade heeft geleden ten aanzien van zijn kleding. De rechtbank schat de hoogte van deze schade daarom op 100,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren. De rechtbank acht de schade ten aanzien van het horloge in zijn geheel niet onderbouwd en zal dit deel daarom niet-ontvankelijk verklaren.
Immateriële schade
De benadeelde partij heeft daarnaast 10.000,00 aan immateriële schade gevorderd. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. Aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen heeft hij op grond van artikel 6:106 sub b BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen. De rechtbank zal het bedrag vaststellen op 3.000,00. De rechtbank verklaart de vordering voor het overige niet-ontvankelijk.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente over de toegewezen schadebedragen telkens toewijzen vanaf 1 januari 2025.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45 en 287 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf
een gedeelte, groot 12 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.
Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.
Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden:
veroordeelde meldt zich bij de reclassering van VNN in Groningen aan [adres] . De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
veroordeelde laat zich behandelen door de Forensische Polikliniek van VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;
veroordeelde gebruikt geen alcohol, en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.
Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
  • ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
  • medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 3.427,13 (zegge: vierendertighonderd zevenentwintig euro en dertien eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Verklaart de vordering van [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat [slachtoffer] zijn eigen proceskosten draagt.
Legt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.427,13 (zegge: vierendertighonderd zevenentwintig euro en dertien eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 427,13 aan materiële schade en 3.000,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 44 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.