In deze strafzaak werd verdachte beschuldigd van witwassen door het verbergen of verhullen van een BMW die op zijn naam was gesteld terwijl de feitelijke eigenaar zijn broer was. Het openbaar ministerie stelde dat verdachte als katvanger had gefungeerd en medepleger was in het witwassen.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte verklaarde dat de auto was aangeschaft door zijn broer met contant geld, deels geleend van verdachte zelf, en dat de tenaamstelling op zijn naam diende als zekerheid totdat het geleende bedrag was terugbetaald. De kosten werden gedeeld omdat verdachte de auto ook gebruikte.
Deze verklaring werd niet weerlegd door het onderzoek en werd als niet onaannemelijk beoordeeld. De rechtbank concludeerde dat de gedragingen niet gericht waren op het verbergen of verhullen van de herkomst van het voorwerp en sprak verdachte vrij van witwassen.