De opposant tekende verzet aan tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel verkeersboete van €41,00, uitgevaardigd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hij betwistte de ontvangst van de inleidende beschikking en daaropvolgende correspondentie, en stelde dat hij pas via een e-mail van de gerechtsdeurwaarder van de boete afwist. De opposant vond de administratieve verhogingen en kosten onterecht en wilde alleen de oorspronkelijke boete voldoen.
Het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) stelde dat alle correspondentie naar het juiste BRP-adres was gestuurd en dat de ontvangst niet geloofwaardig was betwist. De kantonrechter nam aan dat de verzendwijze door het CJIB nagenoeg foutloos was en dat de beroepstermijn was gaan lopen bij toezending van de beschikking. Omdat de opposant zijn ontkenning van ontvangst niet voldoende onderbouwde, hoefde de staatssecretaris niet aan te tonen dat de beschikking daadwerkelijk was ontvangen.
De rechtbank concludeerde dat het dwangbevel rechtsgeldig was uitgevaardigd en verklaarde het verzet ongegrond. Tegen deze beslissing staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen twee weken na verzending van het vonnis.