ECLI:NL:RBNNE:2025:3082

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
25 juli 2025
Publicatiedatum
28 juli 2025
Zaaknummer
18-186314-24
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak van verdachte in zaak van vermeende verkrachting op het Griekse eiland Kos

In deze strafzaak heeft de Rechtbank Noord-Nederland op 25 juli 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van verkrachting en aanranding van een aangeefster op het Griekse eiland Kos op 23 augustus 2023. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de primair ten laste gelegde verkrachting en subsidiair ten laste gelegde aanranding. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van zowel de aangeefster als de verdachte niet voldoende bewijs boden voor de tenlastelegging. De aangeefster had verklaard dat zij tijdens een poolparty met de verdachte had gezoend en later met hem naar een appartement was gegaan. De rechtbank concludeerde dat de gedragingen van de verdachte niet onder de definitie van dwang vielen, zoals bedoeld in de artikelen 242 en 246 van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank oordeelde dat de aangeefster vrijwillig met de verdachte was meegegaan en dat er geen sprake was van een opzettelijk door de verdachte veroorzaakte bedreigende situatie. De rechtbank verklaarde de benadeelde partij, de aangeefster, niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding, omdat het ten laste gelegde niet bewezen was.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer: 18-186314-24
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 juli 2025 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte.

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 11 juli 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.W. Spanjer, advocaat te Midsland. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D.P. Menting.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 23 augustus 2023 op het Griekse eiland Kos, in een appartementencomplex, te weten [adres 2] gelegen in of nabij Kos (stad) aldaar, door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebben verdachte een of meer vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte,
- die [slachtoffer] tijdens of na een poolparty heeft meegenomen naar een
nieuw appartement in genoemd appartementencomplex waar die [slachtoffer] op een bank/bed terecht kwam en/of (vervolgens)
  • die [slachtoffer] (naar achteren) heeft geduwd en/of
  • het bikinibroekje van die [slachtoffer] opzij heeft geschoven en/of
met gebruikmaking van zijn fysieke overwicht op die [slachtoffer] voor die [slachtoffer] een situatie heeft doen ontstaan waarin zij zich niet tegen/aan voornoemde handeling(en) van hem, verdachte, kon en/of durfde te verzetten en/of onttrekken en/of aldus voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 23 augustus 2023 op het Griekse eiland Kos, in een appartementencomplex, te weten [adres 2] gelegen in of nabij Kos (stad) aldaar, door geweld of een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handeling(en), bestaande uit het betasten/aanraken van de vagina van die [slachtoffer] ,
en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte,
- die [slachtoffer] tijdens of na een poolparty heeft meegenomen naar een
nieuw appartement in genoemd appartementencomplex waar die [slachtoffer] op een bank/bed terecht kwam en/of (vervolgens)
  • die [slachtoffer] (naar achteren) heeft geduwd en/of
  • het bikinibroekje van die [slachtoffer] opzij heeft geschoven.

Bevoegdheid van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat zij (relatief) bevoegd is om kennis te nemen van deze strafzaak, gelet op het verhandelde ter zitting en de door haar daaropvolgend genomen beslissing, zoals vastgelegd in het proces-verbaal.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd ter zake van het primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Aangeefster heeft gedurende het informatieve gesprek zeden en de later opgenomen aangifte steeds consistent, authentiek en gedetailleerd verklaard. De betrouwbaarheid van deze verklaring vindt steun in de emotie die getuige [getuige 1] en getuige [getuige 2] bij aangeefster hebben waargenomen na afloop van de ten laste gelegde verkrachting. Daarnaast heeft verdachte erkend dat er seksuele handelingen hebben plaatsgevonden en komt de verklaring van verdachte op belangrijke onderdelen overeen met de verklaring van aangeefster. Op basis van de verklaring van aangeefster die voldoende wordt ondersteund door de verklaringen van voornoemde getuigen en verdachte, kan worden bewezen dat verdachte seksueel het lichaam van aangeefster is binnengedrongen door met zijn vingers haar vagina te penetreren.
Verder kan op grond van de verklaring van aangeefster worden bewezen dat daarbij sprake is geweest van dwang. Verdachte heeft aangeefster meegenomen naar een appartement. In dat appartement kwam aangeefster terecht op een bank. Aangeefster is weliswaar vrijwillig met verdachte meegelopen, maar toen zij samen in het appartement waren waar het donker was en de deur dichtstond, verstijfde aangeefster en durfde zij geen “nee” meer te zeggen. Verdachte heeft haar naar achteren geduwd, is op haar gaan liggen en hij heeft vervolgens haar bikinibroekje opzij geschoven. Verdachte moet geweten of gemerkt hebben dat aangeefster het ondergaan van seksuele handelingen niet wilde. Desondanks heeft verdachte zijn eigen zin doorgedreven. Verdachte heeft aangeefster hiermee in een door hem opzettelijk veroorzaakte bedreigende situatie gebracht waaraan zij zich redelijkerwijs niet kon onttrekken. Hij heeft aangeefster gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen, daarbij gebruikmakend van het overwicht dat hij op haar had.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Uit de verklaring van verdachte blijkt dat het initiatief uitging van aangeefster. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 2] . De bestanddelen dwang en seksueel binnendringen kunnen niet worden bewezen. Verdachte ontkent dit uitdrukkelijk en het steunbewijs ontbreekt. Verdachte dient gelet daarop integraal te worden vrijgesproken.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
Uit de verklaringen van zowel aangeefster als verdachte volgt dat verdachte en aangeefster elkaar zijn tegengekomen op het Griekse eiland Kos tijdens een vakantie van aangeefster. Verdachte was werkzaam op een ressort. Aangeefster heeft het ressort waar verdachte werkzaam was meerdere keren bezocht tijdens haar vakantie. Op 23 augustus 2023 vond er een zwembadfeest plaats in dit ressort. Na afloop van dat zwembadfeest heeft verdachte aan aangeefster gevraagd of ze met hem mee wilde lopen. Aangeefster heeft hiermee ingestemd en vervolgens hebben ze zo volgt althans uit de verklaringen van verdachte en de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] buiten gezoend. Daarna zijn ze samen naar een appartement gelopen. In dat appartement hebben verdachte en aangeefster opnieuw met elkaar gezoend. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verklaringen vanaf dit punt uiteenlopen. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar omver heeft geduwd op de bank en tegen haar wil zijn vingers in haar vagina heeft geduwd. Verdachte heeft daarentegen verklaard dat zij op de bank zijn gaan zitten en dat hij alleen over de schaamlippen van aangeefster heeft gewreven, nadat hij haar om toestemming vroeg.
De rechtbank zal de discussie rondom het al dan niet seksueel binnendringen buiten beschouwing laten, omdat voor de bewezenverklaring van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte aangeefster opzettelijk heeft gedwongen tot het tegen haar wil ondergaan van de in de tenlastelegging omschreven seksuele handelingen. De rechtbank ziet zich daarom voor de vraag gesteld of er sprake is geweest van uitoefening van dwang, als bedoeld in artikel 242, respectievelijk artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (oud).
Het uitoefenen van dwang kan plaatsvinden door middel van geweld of andere feitelijkheden. Onder “geweld” en “andere feitelijkheden” wordt aan de ene kant verstaan de fysieke overmeestering van het slachtoffer en aan de andere kant het uitoefenen van psychische druk, waarbij uit wordt gegaan van de uiterste gevallen. Er zijn ook situaties denkbaar die beide vormen van dwang omvatten; situaties waarin intimidatie onderdeel heeft uitgemaakt van lijfelijke dwang. De door verdachte (opzettelijk) uitgeoefende dwang moet van dien aard zijn dat het slachtoffer zich daar redelijkerwijs niet tegen heeft kunnen verzetten. Eveneens valt daaronder een door verdachte opzettelijk veroorzaakte bedreigende situatie waar het slachtoffer zich redelijkerwijs niet aan kan onttrekken.
De rechtbank is van oordeel dat in de gedragingen van verdachte de vereiste bestanddelen voor dwang ontbreken, indien uit wordt gegaan van de gedragingen zoals zij door aangeefster zijn omschreven.
Aangeefster heeft verklaard dat zij vrijwillig met verdachte is meegegaan en dat het zoenen met haar (stilzwijgende) instemming plaatsvond. Zij heeft verder verklaard dat zij verstijfde toen ze met verdachte in het appartement was. Zij is op een bank gaan zitten en verdachte heeft haar vervolgens omvergeduwd. Aangeefster heeft niet verklaard dat het omverduwen met kracht gebeurde. Verdachte heeft haar bikinibroekje opzij geschoven en hij heeft twee vingers in haar vagina geduwd. Aangeefster heeft, doordat zij verstijfde op dat moment, haar onwil niet bij verdachte kenbaar kunnen maken. Op een gegeven moment trok verdachte zijn geslachtsdeel uit zijn broek. Dat was het moment waarop aangeefster tegen verdachte heeft gezegd dat zij niet wilde en verdachte heeft hierop zijn handelingen gestaakt. Aangeefster heeft daarna samen met verdachte het appartement verlaten.
De hiervoor omschreven gedragingen kunnen aldus naar het oordeel van de rechtbank niet onder de definitie van “het uitoefenen van dwang” worden gebracht als bedoeld in artikel 242, respectievelijk artikel 246 van het Wetboek van Strafrecht (oud). Uit het enkel omverduwen, het opzij schuiven van het bikinibroekje en het daarna op of in de vagina brengen van de vingers blijkt niet zonder meer een op
dwang gerichte gedraging, omdat deze handelingen, mede gelet op hetgeen hieraan vooraf is gegaan, ook passen binnen de context van vrijwillige seks. Het omverduwen op de bank kan onderdeel uitmaken van normale speelse handelingen. Evenmin is de rechtbank van een opzettelijk door verdachte veroorzaakte bedreigende situatie gebleken waar aangeefster zich naar redelijke verwachting niet aan kon onttrekken. Niet is gebleken dat verdachte de deur van het appartement op slot heeft gedaan en dat verdachte het verlaten van het appartement op enige wijze heeft belet. Verdachte heeft op het moment dat aangeefster aangaf dat ze niet instemde met verdere seksuele handelingen de handelingen gestaakt. Vervolgens hebben verdachte en aangeefster samen het appartement verlaten.
Alles overziend komt de rechtbank tot het oordeel dat het handelen van verdachte geen opzettelijke dwanguitoefening omvat. De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarom vrij van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.408,93 ter vergoeding van materiële schade en
5.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en de oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materiële deel van de vordering tot schadevergoeding kan worden toegewezen, met uitzondering van de opgegeven toekomstige schadeposten. Hij neemt ten aanzien van het immateriële deel van de vordering het standpunt in dat deze in zijn geheel kan worden toegewezen.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen dan wel niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

Uitspraak

De rechtbank

Is (relatief) bevoegd.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering tot schadevergoeding. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] haar eigen proceskosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Spooren, voorzitter, mr. O.F. Brouwer en
mr. A. Dijkstra, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juli 2025.