ECLI:NL:RBNNE:2025:3137

Rechtbank Noord-Nederland

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
30 juli 2025
Zaaknummer
18-036764-25
Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplegen van poging tot doodslag en vernieling in Leeuwarden

Op 29 juli 2025 heeft de Rechtbank Noord-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en vernieling. De zaak vond plaats op 28 januari 2025 in Leeuwarden, waar de verdachte samen met een medeverdachte het slachtoffer aanviel. De verdachte hield het slachtoffer vast terwijl de medeverdachte hem zestien keer met een baksteen op het hoofd sloeg. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van medeplegen en voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast werd er beslist op de vordering van de benadeelde partij, die schadevergoeding eiste voor de opgelopen letsels. De rechtbank kende een schadevergoeding toe van 3.612,20 euro, bestaande uit materiële en immateriële schade, en legde de schadevergoedingsmaatregel op. Tevens werd de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelast, omdat de verdachte binnen de proeftijd een nieuw strafbaar feit had gepleegd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-036764-25
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 96-182507-20
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 juli 2025 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] , zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,
thans gedetineerd in de [instelling] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 juli 2025. De strafzaak tegen verdachte is eerder behandeld op de zitting van 6 mei 2025.
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.J.H. Titahena, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat: 1
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] uit een raam heeft
getrokken en heeft vastgehouden, terwijl de mededader van verdachte die [slachtoffer] met kracht zestien maal, althans eenmaal of meermalen, met een baksteen, althans een voorwerp, op zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een (zichtbaar blijvend) litteken in het gezicht, voor de geneeskundige behandeling waarvan (een) hechting(en) is/zijn aangebracht, en/of een botbreuk in de hand (met blijvende beperking van de handfunctie), heeft toegebracht, door die [slachtoffer] uit een raam te trekken en vast te houden, terwijl de mededader van verdachte die [slachtoffer] met kracht zestien maal, althans eenmaal of meermalen, met een baksteen, althans een voorwerp, op zijn hoofd en/of handen sloeg;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer] uit een raam heeft getrokken en heeft vastgehouden, terwijl de mededader van verdachte die [slachtoffer] met kracht zestien maal, althans eenmaal of meermalen, met een baksteen, althans een voorwerp, op zijn hoofd en/of handen heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 28 januari 2025 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een voorruit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of WoonFriesland, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.
Beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van feit 1 primair, gelet op de aangifte, de beschrijving van de camerabeelden, het forensisch onderzoek naar de baksteen en het letselverslag. Verdachte heeft aangever vastgehouden terwijl de medeverdachte meermaals met een baksteen op het hoofd van aangever heeft geslagen. Hieruit volgt dat sprake is van medeplegen en voorwaardelijk opzet op de dood.
De officier van justitie heeft eveneens bewezenverklaring gevorderd van feit 2, gelet op de aangifte en de bekennende verklaring van verdachte.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder feit 1 ten laste gelegde, omdat niet gebleken is dat beide verdachten het voor medeplegen van poging tot doodslag/zware mishandeling vereiste (voorwaardelijk) opzet op de gronddelicten hebben gehad. Daartoe is aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte wetenschap heeft gehad van het gebruik van een (en welk) voorwerp door de medeverdachte tijdens het slaan. Van een nauwe en bewuste samenwerking is evenmin gebleken.
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een bewezenverklaring.
Het oordeel van de rechtbank1
Vastgestelde feiten
Aangever [slachtoffer] (verder: aangever) is in 2021 aan de [adres] in Leeuwarden komen wonen en heeft sindsdien een conflict met zijn buurman medeverdachte [medeverdachte] vanwege geluidsoverlast.2 Op 28 januari 2025 tussen 23.30 en 23.45 uur belde aangever de politie omdat de medeverdachte samen met verdachte wederom geluidsoverlast veroorzaakte.3 Nadat aangever buiten op straat in gevecht raakte met de medeverdachte en verdachte is hij zijn woning in gevlucht en heeft de deuren dicht gedaan.4
Onder de raampartij in de voortuin van aangever lag een stapel met stenen.5 Eenmaal binnen hoorde aangever veel lawaai en zag glas door de woonkamer vliegen en een steen op de grond rollen. Op het moment dat hij het openstaande uitzetraam in de woonkamer dicht wilde doen zag aangever dat verdachte bezig was om zijn woning via het uitzetraam te betreden, gevolgd door zijn medeverdachte. Het lukte aangever om beide personen uit de raamopening naar buiten te duwen en hij zag een mogelijkheid om het raam te sluiten. Hiervoor moest aangever naar buiten reiken om de raamuitzetter vast te pakken. Terwijl hij half uit het raam hing om dit te doen werd hij door verdachte vastgepakt en naar beneden getrokken. Vervolgens voelde aangever, terwijl hij half uit het raam hing, een harde klap en scherpe pijn op de bovenzijde van zijn hoofd. Om zijn hoofd te beschermen klemde aangever beide handen om zijn hoofd. Hierna werd hij nog meerdere malen op de bovenkant van zijn handen geslagen. Aangever voelde pijn, schreeuwde om hulp en zag in de weerkaatsing van het raam dat er slaande bewegingen werden gemaakt met een steen. Nadat aangever op enig moment ruimte zag om zichzelf los te trekken liep hij zijn keuken in en trok de deur achter zich dicht.6
Bij de politie heeft de medeverdachte nadien erkend dat de vechtpartij buiten plaatsvond tussen hemzelf, aangever en verdachte. Ook heeft de medeverdachte bij de politie verklaard dat verdachte aangever heeft beetgepakt bij het raam.7 Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zichzelf heeft herkend op de camerabeelden. Ook heeft hij ter zitting bevestigd dat hij aangever heeft vastgehouden bij het raam.8
De door een getuige, woonachtig aan de [adres] te Leeuwarden, aangeleverde camerabeelden van 28 januari 2025 te 23.54 uur zijn door verbalisant [verbalisant 1] bekeken en geverbaliseerd.9 Op de beelden is te zien dat een persoon
[de rechtbank begrijpt: aangever]de portiek in rent en wordt achtervolgd door een tweede persoon
[de rechtbank begrijpt: de medeverdachte]. Hierna voegt een derde persoon
[de rechtbank begrijpt: verdachte]zich bij de medeverdachte en gezamenlijk lopen zij naar het voorraam van de woning waarna de medeverdachte de voorruit inslaat.10 Te zien is dat verdachte vervolgens ook op het grote woonkamerraam slaat en hierna via het openstaande uitzetraam probeert om de woning binnen te gaan. Er ontstaat vervolgens een handgemeen tussen aangever en verdachte waarna laatstgenoemde via het openstaande uitzetraam aangever naar buiten en naar beneden trekt. Terwijl aangever in de raamopening ligt wordt hij in totaal zestien keer door de medeverdachte met een voorwerp op zijn hoofd geslagen en is een luid gegil te horen. Aangever weet zich op een gegeven moment los te rukken en vlucht zijn woning in waarna de twee verdachten weglopen.11
Verbalisant [verbalisant 2] heeft op 29 januari 2025 in de woonkamer van aangever een baksteen met op bloedgelijkende sporen en een cluster korte grijsgekleurde haren aangetroffen. Deze baksteen is veiliggesteld en in beslag genomen.12 De baksteen heeft SIN AAST3938NL gekregen.13 Twee bloedsporen op de zijde van de steen zijn bemonsterd. Uit deze bemonstering ( SIN AAST3938NL #01 en #02) is telkens een enkelvoudig DNA-profiel verkregen met een matchkans van meer dan één miljard. Het DNA- profiel van aangever komt telkens overeen met dit DNA-profiel. Ook de randen aan één zijde van de baksteen zijn bemonsterd. Uit deze bemonstering ( SIN AAST3938NL #03) is een DNA-profiel van drie personen verkregen, waaronder het DNA-profiel van aangever met een matchkans van één miljard en het DNA-profiel van de medeverdachte met een matchkans van 65 miljoen.14 De rechtbank concludeert hieruit, met inachtneming van de rest van het dossier, dat de baksteen telkens bloed en DNA bevat van aangever en de medeverdachte.
Feitelijk handelen
Uit voornoemde vastgestelde feiten leidt de rechtbank af dat verdachte eerst de voorruit van de woning van verdachte heeft vernield. Daarna heeft hij aangever uit het raam getrokken en vastgehouden terwijl de medeverdachte met kracht zestien maal met een baksteen op het hoofd van aangever heeft geslagen.
Medeplegen
Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is voor medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten vereist, waarbij de bijdrage van een verdachte intellectueel en/of materieel van voldoende gewicht moet zijn. Of daarvan sprake is, hangt af van de concrete feiten en omstandigheden van het geval.
Uit het voornoemde leidt de rechtbank af dat beide verdachten een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de voltooiing van het delict. Nadat aangever zijn woning invluchtte hebben beide verdachten gezamenlijk opgetreden en de aanval op aangever geopend door (op) diens voorruit (in) te slaan. Hierna hebben ze allebei geprobeerd om de woning via het openstaande uitzetraam te betreden. Tijdens de worsteling die daarop volgde in de raamopening heeft verdachte aangever vastgehouden en naar beneden getrokken waardoor de medeverdachte zestien maal met een baksteen richting het hoofd van aangever kon slaan. Aangever heeft met zijn handen geprobeerd zich te beschermen waardoor een deel van de slagen op zijn hoofd en een deel van de slagen op zijn handen is gekomen. Tijdens de zestien slagen heeft verdachte zich hier op geen enkel moment van gedistantieerd of ingegrepen. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat het geweld pas stopte toen aangever zich uit zijn benarde positie wist los te trekken en naar
de keuken kon vluchten.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen beide verdachten is komen vast te staan.
Opzet
Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het voorliggende strafdossier niet vast te stellen dat verdachte vol opzet had om aangever van het leven te beroven. De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is geweest van voorwaardelijk opzet van verdachte op de dood van aangever en overweegt daartoe het volgende.
Voor voorwaardelijk opzet op de dood is vereist dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangever door de gedragingen van verdachte en zijn medeverdachte zou overlijden en dat verdachte die kans bewust heeft aanvaard.
De rechtbank overweegt dat uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft gezien dat er een stapel stenen voor de raampartij van de woning van aangever lag. Ook heeft hij gezien dat de medeverdachte daar een steen vanaf pakte en deze door de voorruit van de woonkamer heeft gegooid. Vervolgens heeft verdachte zelf tegen de voorruit van aangever geslagen. Verdachte heeft aangever daarna via het openstaande uitzetraam vastgepakt en naar beneden getrokken. Gelet op diens positie moet verdachte hebben gehoord dat aangever niet met de blote hand, maar met een hard voorwerp werd geslagen door de medeverdachte en het daarbij uitgilde van de pijn. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte op enig moment tijdens de zestien slagen wetenschap heeft verkregen van het slaan met een baksteen, althans een hard voorwerp. Het dossier bevat geen aanwijzingen dat verdachte zich vervolgens van het door de medeverdachte uitgeoefende geweld heeft gedistantieerd of heeft ingegrepen. Dat verdachte als gevolg van alcohol en drugsgebruik geen herinneringen aan het gepleegde geweld heeft doet aan het voorgaande niet af.
Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam is. Het met kracht zestien maal op korte afstand met een harde en hoekige baksteen richting het hoofd slaan, waarbij het hoofd ook enkele keren is geraakt, brengt naar het oordeel van de rechtbank in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich op dodelijk letsel. Naar algemene ervaringsregels kunnen harde klappen op het hoofd immers schedel- en hersenletsel met dodelijke afloop veroorzaken. Een dodelijke afloop is mogelijk slechts voorkomen door de niet aan verdachte te danken omstandigheid dat aangever zijn handen heeft gebruikt om zijn hoofd te beschermen tegen de slagen.
Het door de medeverdachte gepleegde potentieel dodelijke geweld kon, zoals hiervoor reeds is overwogen, plaatsvinden doordat verdachte aangever in een weerloze positie bracht (het vasthouden en naar beneden trekken terwijl hij in de raamopening lag) en bleef houden zonder zich van de slagen met de baksteen te distantiëren of in te grijpen. Door aldus te (blijven) handelen hebben verdachte en de medeverdachte naar het oordeel van de rechtbank de niet te verwaarlozen kans dat aangever door hun handelen het leven zou laten, bewust aanvaard.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag. Het verweer van de raadsman wordt daarom verworpen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1 (primair)
hij op 28 januari 2025 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, die [slachtoffer] uit een raam heeft getrokken en heeft vastgehouden, terwijl de mededader van verdachte die [slachtoffer] met kracht zestien maal met een baksteen op zijn hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 28 januari 2025 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een voorruit, die geheel of ten dele aan [slachtoffer] en/of WoonFriesland toebehoorde(n) heeft vernield.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1 primair medeplegen van poging tot doodslag;
Feit 2 opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort vernielen.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake feit 1 primair en feit 2 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
Bij een bewezenverklaring van beide feiten heeft de raadsman bepleit een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden op te leggen, gelet op de rol van aangever in de aanloop naar het geweld, de beperkte rol van verdachte bij het bewezenverklaarde en diens proceshouding. Ook is door de raadsman bepleit een forse voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen om zo oplegging van bijzondere voorwaarden mogelijk te maken. Uit het reclasseringsrapport is immers gebleken dat verdachte gebaat is bij hulpverlening en het recidiverisico hiermee ingeperkt kan worden.
Het oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het reclasseringsrapport, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van poging tot doodslag en vernieling. Terwijl verdachte aangever vasthield takelde de medeverdachte zijn buurman toe door hem zestien keer met een baksteen richting het hoofd te slaan en heeft hem daarbij verschillende keren geraakt. De geweldsexplosie stopte pas op het moment dat het slachtoffer kans zag zich los te trekken en te vluchten. Het is dus niet aan het handelen van verdachte te danken dat het slachtoffer geen zwaarder letsel heeft opgelopen.
Verdachte heeft met zijn handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat het slachtoffer het geweld in zijn eigen woning, een plek waar hij zich veilig zou moeten kunnen voelen, moest ondergaan. Daarbij is het een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke geweldsdelicten zich nog gedurende lange tijd angstig en onveilig kunnen voelen en/of psychische gevolgen van de gebeurtenis kunnen ondervinden.
Hetgeen zonder meer voorstelbaar is, maar ook blijkt uit de namens slachtoffer [slachtoffer] voorgedragen slachtofferverklaring.
De feiten zijn ook door buurtbewoners niet onopgemerkt gebleven. Zij zijn ongewild getuige geweest van het geweld en dat zal bijdragen aan een gevoel van onveiligheid in hun straat.
Door een raam stuk te gooien/maken heeft verdachte bovendien geen enkel respect getoond voor andermans eigendommen. De vernieling levert immers schade en overlast op.
Documentatie
De rechtbank heeft kennis genomen van het uittreksel justitiële documentatie van 4 juli 2025 waaruit volgt dat verdachte recentelijk eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit.
Persoon van verdachte
Verdachte heeft zowel bij de politie als ter zitting verklaard dat hij geen herinnering heeft aan het gebeurde omdat hij te zeer onder invloed was van alcohol en drugs. Wel heeft verdachte ter zitting verklaard dat hij zich na het zien van de beelden schaamt en spijt heeft van wat hij heeft gedaan.
De rechtbank heeft kennis genomen van het reclasseringsadvies van 10 april 2025. Hieruit volgt dat verdachte geen verblijfsstatus in Nederland heeft en een inreisverbod aan hem is opgelegd. Het ontbreekt verdachte aan legale inkomsten, stabiele huisvesting, zinvolle dagbesteding en er zijn vermoedens van middelenproblematiek. Op vrijwel alle leefgebieden zijn dan ook problemen geconstateerd.
Er is een delictpatroon gesignaleerd ten aanzien van vermogensdelicten welke mogelijk een relatie hebben met het middelengebruik van verdachte. Het risico op herhaling wordt ingeschat als hoog, omdat hulpverlening niet of nauwelijks uitvoerbaar is vanwege de verblijfstatus van verdachte. Er is meermaals getracht verdachte vrijwillig naar het land van herkomst terug te laten keren, maar hieraan heeft verdachte geen medewerking verleend. Door zijn onrechtmatige verblijf zijn de interventiemogelijkheden beperkt en zijn bijzondere voorwaarden moeilijk uitvoerbaar. Er is bovendien geen actieve terugkeerprocedure, wat maakt dat sprake is van een uitzichtloze vicieuze cirkel.
Conclusie
Anders dan de officier van justitie en de verdediging houdt de rechtbank verdachte en de medeverdachte in gelijke mate verantwoordelijk voor de poging tot doodslag. De rechtbank is van oordeel dat enige differentiatie in de duur van de op te leggen straf op zijn plaats is, maar niet zozeer vanwege de verschillende rollen die verdachte en zijn medeverdachte hebben vervuld bij het plegen van het feit, maar vooral vanwege de onmogelijkheid voor het opleggen van bijzondere voorwaarden aan verdachte.
De rechtbank is van oordeel dat oplegging van een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat de aard en de ernst van het bewezen verklaarde door afdoening met een lichtere strafmodaliteit dan een gevangenisstraf miskend zou worden.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden is. De rechtbank ziet geen aanleiding om daarnaast nog een voorwaardelijke straf met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden op te leggen. Gelet op de verblijfsrechtelijke positie van verdachte in Nederland is een hulpverleningstraject immers niet mogelijk.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Het schadebedrag is ter terechtzitting naar beneden bijgesteld tot een bedrag van 5.112,20, bestaande uit 112,20 aan materiële schade en 5.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan. Met vaststelling van de hoofdelijke aansprakelijkheid en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij, de hoofdelijke aansprakelijkheid vast te stellen en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f Sr.
Het standpunt van de verdediging
Primair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard moet worden vanwege de bepleite vrijspraak ten aanzien van feit 1. Voorgaande met uitzondering van de gevorderde luxaflex kosten ( 37,49) vanwege de referte ten aanzien van feit 2.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit de gevorderde immateriële schade te matigen tot een bedrag van 850,00, gelet op het fysieke letsel van de benadeelde partij. Ten aanzien van de ter terechtzitting verlaagde materiële schade heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Vordering [slachtoffer]
Ten aanzien van de materiële schade oordeelt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door de verdediging is betwist, zal daarom worden toegewezen.
Ten aanzien van de immateriële schade oordeelt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 primair bewezen verklaarde. De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij pijn heeft gehad en letsel heeft opgelopen, te weten onder meer een gebroken middenhandsbeentje, drie hechtwonden en meerdere bloeduitstortingen. Ook is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is gemaakt dat de benadeelde partij psychische schade heeft geleden. De benadeelde partij is immers in zijn eigen woning, een plek waar hij zich veilig hoort te voelen, door verdachte en de mededader aangevallen. De rechtbank de hoogte van de immateriële schade matigen tot 3.500,00. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.
Het totaalbedrag van 3.612,20 zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 28 januari 2025.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank ook de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk vonnis van 16 december 2021 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot een hechtenis van twee weken, geheel voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 31 december 2021. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 12 juni 2025 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter zitting de vordering tot tenuitvoerlegging gehandhaafd, omdat de algemene voorwaarden zijn overtreden binnen de lopende proeftijd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging.
Het oordeel van de rechtbank
Omdat veroordeelde de bewezenverklaarde feiten (feit 1 primair en feit 2) heeft begaan voor het einde van de proeftijd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van deze voorwaardelijke straf.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 47, 57, 287 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder feit 1 primair en feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer] , feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer] te betalen:
  • het bedrag van 3.612,20 (zegge: drieduizend zeshonderdtwaalf euro en twintig eurocent);
  • de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening;
  • de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.
Wijst de vordering van [slachtoffer] voor het overige af.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat te betalen een bedrag van 3.612,20 (zegge: drieduizend zeshonderdtwaalf euro en twintig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 112,20 aan materiële schade en 3.500,00 aan immateriële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 46 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 96-182507-20:
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 16 december 2021, te weten: 2 weken hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. M. Linde, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 juli 2025.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit het dossier van de
Districtsrecherche Fryslân, met het proces-verbaal nummer [nummer] van 1 mei 2025, doorgenummerd 1 tot en met 148, met losse aanvullingen.
2 Pagina 26.
3 Pagina 27.
4 Pagina 28.
5 Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning [adres] Leeuwarden met nummer [nummer] , blad 3.
6 Pagina 28.
7 Paginas 72 en 73.
8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 15 juli 2025.
9 Pagina 51.
10 Pagina 52.
11 Pagina 53.
12 Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning [adres] Leeuwarden met nummer [nummer] , bladen 1
en 5.
13 Het proces-verbaal forensisch onderzoek woning [adres] Leeuwarden met nummer [nummer] , blad 9.
14 Het Rapport van het NFI d.d. 31 maart 2025, opgestel door ing. F. van Gennip, paginas 7 en 8.